Wijn

“What can I get you to drink, wat wilt u drinken?” De stewardess zet haar karretje vast en kijkt ons afwachtend aan. Ik bestel een tomatensap, met peper erbij. Doe ik altijd op KLM-vluchten, gewoon omdat ik het anders nooit drink. Lange tijd  dacht ik dat het mijn eigen idee was totdat ik in het vliegtuigmagazine een artikel las waarin stond dat tomatensap heel erg populair is in de lucht. Mogelijke redenen: iets bestellen wat anders nooit gedronken wordt draagt bij aan het luxe-gevoel van de passagier; en als anderen iets ongewoons bestellen lijkt het ineens een goed idee om hun keuze te kopiëren. Ik ben gewoon een arme sloeber met kopiëergedrag. Hoe dan ook, ik geniet ervan. Mijn vluchtbuur (borstelsnor; bril met goudkleurig montuur; te ruim zittende jas) bestelt rode wijn, ook populair volgens het blaadje.

Een uurtje later wordt het eten rondgebracht. Mijn buurman bestelt nog een wijn. Die heeft er zin in. “Nog iets voor u meneer?” vraagt de stewardess. Ik kies ook rode wijn, waarom niet. Ik schenk mezelf in terwijl ik nadenk over het elegante glazen flesje waarin KLM de wijn serveert. Bij het Amerikaanse Delta Airlines krijg je gewoon een enorme plastic beker volgestort met rood wrang vocht. Het is trouwens wel lekker om alcohol te drinken tijdens een vlucht. Als je licht in je hoofd bent heb je meer het gevoel dat je echt vliegt. Je wiegt heen en weer en je voelt de gyroscoop in je schedel vertraagd meebewegen. Nu in slow motion een wending maken, ranke vleugels die de lucht doorklieven. Goed voelt dat, heel goed. Nu optrekken met de neus naar de stratosfeer gericht, ogen sluiten, over op de automatische piloot.

Ik word wakker van de stewardess die weer langskomt voor een snack met een drankje. Mijn buurman heeft nog een ongebruikt glaasje staan. Waar is het flesje? Ik werp een blik in de richting van zijn stoelzak, waar ik de dofrode glans van een paar wijnflesjes ontwaar. Hmm, interessant. Hij lijkt ze op te sparen.Op zich geen gek idee, wijn is peperduur in Ghana. Ik neem appelsap. Als hij echt een baas is gaat ‘ie voor nog een wijn. “I beg your pardon sir?” zegt de stewardess. “A red wine please,” herhaalt hij. “A red wine for you. Would you like a glass of water with that?” Hij schudt van nee. Ze rommelt in haar karretje, fronst haar wenkbrauwen en richt zich tot haar collega. “Hee Petra, heb jij nog rooie wijn? ‘t Is gek, ik ben er alweer helemaal doorheen!” Petra moet ook even zoeken maar produceert uiteindelijk een flesje. Voldaan stel ik vast dat ook dit exemplaar in de stoelzak verdwijnt.

De vraag die zich opdringt is natuurlijk: hoe gaat hij ze wegmaken? Ik wacht het moment geduldig en met groeiende binnenpret af. Twintig minuten voor landingstijd schuift hij een beetje heen en weer. Hij maakt zijn jas los en in een vloeiende beweging brengt hij een flesje over naar zijn linkerjaszak, en nog één. De flesjes klingelen tegen elkaar en ik kijk barmhartig weg. Dan volgt een beweging rechts, en nog een keer geluid van glas op glas. Minstens vier flesjes dus. Goed gedaan. Hij leunt een beetje voorover en mijn linkeroog ziet zijn rechteroog rondzwerven om de periferie van zijn gezichtsveld te verkennen. Is de activiteit gesignaleerd? Nee hoor, de kust is veilig. Het liefst zou ik hem feliciteren maar dat zou een nogal ongemakkelijke situatie opleveren. Ik zeg niks. Ik denk na.

Ik denk na over zijn wereld, waarvan ik nu ook weer een tijd deel uit ga maken. Ergens in een stoffig dorpje met roodlemen huizen wacht een familie. Hij arriveert per trotro, loopt het laatste stukje, zijn koffers gedragen door kinderen die hem tegemoet zijn gerend. Ze heten hem hartelijk welkom, gretig bijna, hier is een stoel, ga zitten, hier is water, drink. Begroetingen worden uitgewisseld, nieuws wordt verteld, de reis wordt beschreven, verhalen van verre landen. En wat heb je voor ons meegebracht? Dat is het moment waarop de mooie, elegante, Nederlandse wijnflesjes het Ghanese daglicht gaan zien. Zo steels als ze verdwenen, zo groots worden ze nu gepresenteerd. Om van hand tot hand te gaan, ogen te doen schitteren, en uiteindelijk dankbaar te worden leeggedronken.

Geplaatst in Voorjaar 2012 | Getagged , | 3 Reacties

HOOFDLETTERS

In dit bericht: een voorproefje van Ghana in de warme wachtruimte van de ambassade; en de aankondiging van een TV-uitzending over mijn onderzoek morgen!

Dinsdagochtend, een week voor vertrek. Na een slaperige treinreis kom ik aan in de sjieke Laan Copes van Cattenburch. Nummer 70 is de Ghanese ambassade, een mooi koloniaal pand. Een norse man geeft me een nummertje en een formulier en wijst me woordeloos de wachtkamer. Lelijke roodleren bankstellen, CNN op een luide televisie. Wat is het hier warm! Zeker een soort voorbereiding op de tropische hitte van Ghana. Ik leen een pen van een vriendelijke buurman. Hij heeft nummertje 52, ik 53. Neuriend vul ik mijn formulieren in. Vervaldatum paspoort, adres in Ghana, hoeveel geld neemt u mee. Ik heb dit vaker gedaan. Ik herken zelfs de man die hier de loopjongen is. Hij heeft een soort permanente frons op zijn gezicht.

Als ik voorover buk om mijn pasfotootjes op de formulieren te lijmen —Prittstift met touwtje aan de tafel bevestigd— kijkt Frons mee over mijn schouder, een beetje dreigend, of misschien is het gewoon zijn neutrale uitdrukking. Ik lach hem vriendelijk toe en kom overeind. Hij neemt me het formulier uit handen en blaft in hoofdletters, “Please read the INSTRUCTIONS! It says FILL OUT IN CAPITALS! These are not CAPITALS!” Hij maakt het typisch Ghanese smakgeluid van afkeuring, schudt zijn hoofd, kijkt me aan. “Why don’t you read? The are instructions are CLEAR! CAPITALS! BLOCK LETTERS! BIG LETTERS!”

Ik kijk schuldbewust en probeer de nieuwsgierige blikken van mijn medewachtenden te negeren. Drama! Hoe gaat dit aflopen! Ik voel het ze denken. Het veiligst is om een beetje langzaam van begrip te zijn. Zei hij niet blokletters? Mijn handschrift is toch wel blokletter-achtig? Nee het staat echt bovenaan het formulier, in hoofdletters nog wel. Zal ik dan maar een nieuw… ik draai me naar de deur toe. Stop. Met een theatraal gebaar houdt hij me tegen en laat me op luide toon weten dat deze formulieren VERY EXPENSIVE zijn. Ik knik meermaals. Very expensive, jajajaja.

Hij richt zich tot de klas en herhaalt zijn boodschap. Ik ben het slechte voorbeeld. Ik zie iedereen gedwee naar zijn blaadje kijken. Verdorie zeg, mijn buurman MARTENS heeft het gewoon goed gedaan, en mevrouw VAN GEEL achter hem ook. Achterin houdt een meisje schuldbewust haar formulier omhoog, maar Frons negeert het. Het punt is gemaakt, de verhoudingen zijn duidelijk, je bent nergens zeker van behalve dat Frons hier de touwtjes in handen heeft. Ik laat me langzaam zakken. Zweethandjes op de leren bank. Ergens in mij mort iets over typografisch onderzoek dat uitwijst dat hoofdletters moeilijker te lezen zijn (Phillips 1979) maar ik realiseer me de overweldigende futiliteit van die gedachte, nee van alle gedachten in deze situatie. Frons morrelt aan de TV en zet een promofilmpje over Ghana op. Ghana, land of opportunities. Palmbomen wuiven in de wind, gezichten lachen ons toe. Mooi land, dat wel. Frons kijkt er ook een tijdje goedkeurend naar en verdwijnt dan naar Kamer 2.

Het Ghanafilmpje is na een kwartier afgelopen. Na nog een kwartier naar een blauw Philipslogo gestaard te hebben durft één van de bezoekers de TV weer op CNN te zetten. Prompt —is het toeval?— komt Frons binnen en stopt een ander DVDtje in de speler. Welcome to a Land of Sunshine, a nation with the reputation of the friendliest in Africa. Terwijl de TV ons overspoelt met nog meer wuivende palmbomen, bergen met bossen en rivieren met rino’s pikt Frons alle Ghanezen één voor één uit de wachtruimte. Achter mij buigt mevrouw van Geel zich over naar haar buurvrouw en fluistert wat. De buurvrouw kijkt om zich heen zegt, “Ik heb geen idee… dat nummerding staat nog geeneens aan.” Dat nummerding gaat inderdaad pas aan als er alleen nog maar Nederlanders over zijn, een dik uur alweer na het college over hoofdletters.

Maar dan gaat het snel. Nummer 51 komt op, is er niet. Misschien dat meisje dat net is gaan pinnen toen Frons te kennen gaf dat ONLY CASH geaccepteerd wordt. Dan volgt vriendelijke buurman nummer 52, en 53 kort na daarna. Als ik Kamer 2 binnenga zit daar nummer 52 te zweten tegenover een mevrouw; ikzelf moet plaatsnemen tegenover Frons. De mevrouw die mijn buurman’s formulier behandelt heeft ernstige twijfels over de kwaliteit van zijn pasfotos. Hij heeft ze zelf gemaakt en uitgeprint op een kleurenprinter. Mevrouw trekt aan het papier. Het is niet sterk, zegt ze. Ze kijkt naar Frons. Die zucht, trekt zijn wenkbrauwen op en zegt, “It is not acceptable.” Mijn buurman krijgt een zenuwtrekje bij zijn wang en probeert te zeggen dat hem verteld is dat het zo goed zou zijn. “What?” zegt de mevrouw, maar aan zijn herhaling wordt niet eens aandacht geschonken. Het was ook geen verzoek om herhaling, meer een teken om aan te geven dat het beter zou zijn voor alle partijen als nummer 52 zijn tong in het geheel niet zou roeren. Een klein beetje gebroken druipt hij af om pasfoto’s in de stad te gaan maken.

Frons ondertussen heeft mijn spullen bestudeerd en zowaar goed bevonden. Ik hoor niet eens iets terug over de hoofdletters en ik zeg er natuurlijk ook niets over, ben wel wijzer. Ik betaal rap en neem het bonnetje in ontvangst. In hoofdletters. Twee uur later mag ik terugkomen om mijn paspoort met visum op te halen. De norse nummertjesman heeft nu een onverklaarbaar brede glimlach op zijn gezicht en vraagt Frons om het paspoort van DI-nge-ma-nse. De wachtruimte is helemaal leeg en na een minuut krijg ik mijn identiteit terug.

VISUM!

Buiten blader ik snel door mijn paspoort. Ik heb nu een visum voor drie maanden, afgegeven in THE HAGUE door meneer OBENG, a.k.a. Frons, a.k.a. Ambassadeur van de Hoofdletter.

Futiele literatuurverwijzing

  1. Phillips, R.J. “Why is lower case better? Some data from a search task.” Applied Ergonomics 10, no. 4 (1979): 211-214.

Daar gaan we weer!

Dit bericht luidt een nieuwe Ghanareis in. Vanaf 30 januari tot 1 maart ben ik weer in Kawu voor onderzoek. Ik zie er naar uit om iedereen weer te ontmoeten, mooie nieuwe gegevens te verzamelen, en mijn grip op de taal te verbeteren.

Op de valreep is er ook nog eens een televisieuitzending over mijn onderzoek! Ik ben geïnterviewd voor het wetenschapsprogramma Labyrint van de VPRO, samen met mijn collega Asifa Majid. De aflevering gaat over taal, ons onderzoek naar taal en perceptie, en het belang van taaldiversiteit. In de uitzending zie je me naar Schiphol vertrekken; niet gek gezien mijn vertrek volgende week maar na afloop vind je me gewoon in een napraatsessie waar je via chat en twitter vragen kunt stellen. Komt dat zien!

Datum Woensdag 25 januari
Tijd 20:55–21:30 (gevolgd door online napraatsessie)
Zender Nederland 2 (Labyrint, VPRO)

Zie ook:

Geplaatst in Voorjaar 2012 | Getagged , | 5 Reacties

Tokyo

Ik voel me een tijdreiziger in Tokyo. Niet zozeer vanwege de jetlag waar mijn rooddoorlopen ogen me aan herinneren, maar omdat het leven hier veel verder voor lijkt te lopen dan de 8 uur die we kwijtgevlogen zijn. Zacht zoevende metro’s, afvalscheiding in vijf categorieën, hightech toiletten met brilverwarming en geurafzuiging,1 hipsters in designkleding, en overal een voor mij onleesbaar schrift waardoor ik ineens weet hoe het voelt om het laaggeletterd te zijn. Maar bovenal: een keuken die zo verfijnd is dat mijn smaakpapillen het nauwelijks bij kunnen benen. Spartelverse vis op een blaadje shiso met daarbij een bloemige pruimenwijn. De scherpe tik van wasabi na de zoutige smaaksensatie van rijst in zeewier. Kleine stenen kommetjes warme sake met een wiebelig zacht bonbonnetje van sojapudding gehuld in groen theepoeder.

Op zaterdagochtend spreek ik op de conferentie waar ik voor uitgenodigd ben. Op zaterdagavond neemt de professor ons mee uit eten. Op zondagmiddag gidsen mijn collegas Kimi en Noburo me rond in Kamakura, een oud tempelstadje aan de kust, en op dinsdagavond neemt Kimi me mee uit eten in Shibuya. (Toen hij in Nijmegen was is Kimi bij ons thuis te gast geweest, maar Japanners spreken altijd buitenshuis af.) Hij had eigenlijk een restaurant op het oog waar je fugu kunt eten, een schijnbaar overheerlijke vis waarin een hoogst giftige klier zit die alleen door koks met een licentie verwijderd kan worden, maar we kunnen het niet vinden dus we strijken ergens anders neer. Jammer, want ik had best fugu willen proberen. Maar het redelijke stemmetje in mij (dat de hele tijd al riep dat het zo jammer zou zijn om in een restaurant aan de andere kant van de wereld in elkaar te zakken alleen maar omwille van een culinair avontuur) is stiekem een klein beetje opgelucht. Er gaat zeer zelden iets mis met fugu, maar niet nooit. De haiku-dichter Bashō dichtte eens: Er is niets gebeurd / Gisteren is voorbijgegaan / Fugu soep.

Het visrestaurant waar we uiteindelijk neerstrijken is een goede keus: vanaf de 10e verdieping kijken we uit over Tokyo bij nacht. Als ons hoofgerecht opgediend wordt komen drie deftige maatpakmeneren met grijs haar binnen. Ze gaan aan het tafeltje naast ons zitten en we knikken beleefd. Terwijl ze door het menu bladeren converseren ze zachtjes met elkaar. Kimi en ik praten over ons onderzoek, over hoe het is om postdoc te zijn, en over zijn leven met de ziekte van Crohn. (Toen hij op mijn uitnodiging in Nijmegen was hebben Gijske en ik speciaal Japanse misobouillon met udon-noedels voor hem gemaakt omdat hij verder in Nederland alleen bagels durfde te eten.) Onderwijl hebben de heren naast ons wijn en sushi besteld en gaan ze steeds geanimeerder praten. Als ons nagerecht arriveert heeft de alcohol mijn buurman —een stevige vent met pareltjes zweet boven zijn wenkbrauwen— los genoeg gemaakt om me joviaal te vragen wat ik van Japan vind. Ik zeg naar waarheid dat ik overdonderd ben en vast van plan om terug te komen met mijn vrouw. Hij vind het prachtig dat ik getrouwd ben en vraagt naar mijn werk. De andere twee luisteren geïnteresseerd. Op zijn beurt vertelt mijn buurman dat ze hier gedrieën zijn voor een zakenoverleg. Hij en de man naast hem werken voor Nissan. De derde, een fijn gecoiffeerde, eerbiedwaardige man met onderzoekende ogen, is een overheidsfunctionaris. Hij stelt zich voor als Miyazaki. De eerste twee lopen over van verhalen over de Japanse industrie, het lot van Nissan (de naam is oorspronkelijk Nippon Sangyo, “Japanse Automobiel”) dat in handen van Renault gevallen is, en de rivaliteit tussen Amerika en Japan. Ze willen ook weten hoe het is in Nederland en hoe ik de Japanse keuken vind.

Blij met mijn antwoord daarop laten ze sake —traditionele rijstwijn— aanrukken en schenken mij ook in. (Kimi slaat af omdat hij geen alcohol drinkt, maar gebaart dat ik minstens één ronde mee moet doen. Delen in sake is een grote eer.) Ze vinden het reuze interessant dat we zo jong zijn en willen ook weten wat Kimi doet. Die is natuurlijk enorm bescheiden (zoals dat hoort), en ik leg de heren uit dat hij een prestigieuze tweejarige postdoc in Berkeley heeft afgerond en net teruggekeerd is naar Keio University. Kimi laat zichzelf haast onder tafel zakken bij die woorden (opnieuw zoals dat hoort — in Japan verlaag je jezelf als je een compliment krijgt). De heren feliciteren hem. Miyazaki vraagt mij of ik voor het eerst in Azië ben en zegt dat Japan een goede eerste keus is. “China is chaotisch,” zegt hij. “Japan is netjes.” Als ik zeg dat ik ook wel naar China wil roept hij “Maar natuurlijk, jullie zijn nog jong en avontuurlijk! Vooral doen, vooral doen!” Hij neemt een garnaal op met zijn eetstokjes en bestudeert hem aandachtig. “Voor mij geen China meer,” zegt hij. “Ik ben te oud. Ik wil de seizoenen van Japan meemaken: de voorjaarsbloesem en de zachte herfst, de warme zomers en de koele winters.” Hij glimlacht stil en eet de garnaal op. De stevige man veegt het zweet van zijn brauw en knikt.

Voor ons is het tijd om te gaan. Kimi staat erop om te betalen ondanks mijn protest. Terwijl ik mijn jas aantrek staat Miyazaki op en geeft me zijn visitekaartje. Hij vraagt naar mijn naam. “Dingemanse,” zeg ik. “Di-ŋe-ma-se,” herhaalt hij terwijl we handen schudden. “En uw collega…” “———”, zeg ik. “Aha, ———. Zeer aangenaam kennis te maken.” Ik verslap mijn greep maar hij houdt mijn hand vast en kijkt me aan. “Wanneer we de sake met u delen doen we dat niet omdat u zelf niets te drinken heeft, maar omdat het goed is om samen te zijn. Wanneer we u betrekken in ons gesprek doen we dat niet omdat u niets te bespreken heeft, maar omdat het goed is als mensen elkaar ontmoeten. Ik hoop dat we jullie niet al te zeer lastig gevallen hebben. We vonden het bijzonder om zulke jonge academici te ontmoeten. We hebben gedeeld in een waardevol samenzijn. Ik dank u.”

Ik haast me om te zeggen dat het genoegen geheel aan mijn kant is. Nóg laat hij mijn hand niet los. “Meneer Di-ŋe-ma-se, ik spreek niet veel talen, en ik weet nog minder van taalkunde. Jullie beiden zijn nog jong; de toekomst ligt open. Wat u ook doet,”—hij houdt mijn blik vast terwijl me opvalt hoe zacht en warm zijn handdruk is—”Wat u ook doet, ijver ervoor om bij te dragen aan de vrede en het geluk van de mensheid.” Ik weet niet zo goed wat ik hier op moet zeggen behalve “ja” met een lichte buiging. Met een kneepje en een glimlach die tientallen fijne rimpeltjes in zijn ooghoeken doet verschijnen laat hij mijn hand gaan. Kimi komt terug van het betalen en krijgt ook een visitekaartje. Wat raadselachtig zegt Miyazaki tegen hem dat hij er zorgvuldig mee om moet gaan.

We nemen de lift naar de begane grond. Eenmaal buiten verontschuldigt Kimi zich voor de opdringerigheid van de heren. “Integendeel,” werp ik tegen, “alleen al die ontmoeting maakt het helemaal goed dat we geen fugu gegeten hebben!” Ik vertel hem wat Miyazaki tegen me zei bij het afscheid. “That man knows something,” zegt hij. En dat beaam ik.

Naschrift. Twee weken nadat ik vertrok uit Tokyo werd Japan getroffen door één van de zwaarste rampen in de geschiedenis van het land. Met Kimi en mijn andere collega’s is het goed. Mijn gedachten gaan uit naar meneer Miyazaki en co., die op dit moment meer dan wie ook de vrede en harmonie nodig hebben die ze zo gul met mij deelden.

Foto’s

Noten

  1. overigens ook inclusief eufemistisch genaamde “shower for behind” — ik denk dat we dat in goed Nederlands kunnen vertalen als ‘gatschoonmaakstraal’ []
Geplaatst in Voorjaar 2011 | Getagged , , , , | 6 Reacties

Just another day on earth

Het einde van mijn verblijf nadert. Achter mijn geïmproviseerde bureau leg ik de laatste hand aan de presentatie die ik over een paar dagen in Tokyo ga geven. Door het raam waait een koele bries. Ik kijk uit over de compound van mijn buren, met erachter de bergen van het Togo Plateau, of Kùbe zoals het in Siwu heet. De buurvrouw is klaar met haar erf vegen en heeft nu zoals gewoonlijk een uitvoerig gesprek met haar onzichtbare vrienden. Vanochtend toont ze hen trots een nieuwe jurk. In Nederland zou deze mevrouw achter slot en grendel zitten wegens zware psychiatrische problemen. Hier eet ze mee met de familie en draagt ze haar steentje bij door palmnootjes open te breken zodat van de kernen olie gemaakt kan worden. Er zijn zoveel gekke en mooie mensen hier, en ik ga ze allemaal missen.

‘s Middags maak ik een ronde in het dorp om afscheid te nemen van iedereen. Tugulubi zegt dat hij voor me zal plengen bij zijn volgende bezoek aan de schrijn. Kubiti wenst me een veilige thuisreis en zegt dat ik foto’s voor hem moet maken uit het vliegtuigraam. Hij is benieuwd naar de Sahara. Vanaf de weg groet ik drie vrouwtjes waar ik eerder een opname van gemaakt heb. Eén van hen hoor ik mopperen dat ze helemaal niet ziet wie dat is. Als ik naar ze toe loop wrijft ze in haar ogen en kijkt ze me glazig aan. “Nu zie ik het pas!” roept ze, “de blanke man komt vaarwel zeggen!”. Ze vraagt me om een bril mee te brengen als ik terugkom. En als dat niet lukt, mooie stoffen graag. Aangezien de mooiste waxprints hier gemaakt worden door Vlisco in Holland verkeren ze in de veronderstelling dat wij er ook allemaal in lopen. Op erf ernaast grapt Eugen, die blind is, dat ik voor hem in ieder geval geen bril hoef mee te nemen — en ook geen mooie stof, want hij ziet het toch niet! (“Maar,” fluistert hij, “laat mijn vrouw dat niet horen. Die wil altijd dat ik piekfijn gekleed ga.”)

Als ik aankom bij het erf van Ruben is hij net een zwartgeblakerd stuk vlees in stukken aan het hakken. Ik zie een klein zoogdierachtig handje uit de pot steken en vraag wat het is. Een kɛsɛkɛsɛ, zegt Ruben — een soort stekelvarken. Gisteren geschoten. De stekels heeft hij al verwijderd in de bush, daarna heeft hij de vangst met huid en haar boven een houtvuur geroosterd. Het vlees ziet er goed uit. Hij laat me een stukje proeven. Het smaakt naar gerookte ham, lekker zeg. Wat jammer dat we nu al weer afscheid moeten nemen. Ruben roept “Hallelujah!” als ik hem mijn knijpkat geef. Ik had het dus goed gezien dat hij er een oogje op had. Zijn vrouw Ella sluit me in haar armen en drukt me op het hart de groeten te doen aan Gijske en onze gezamenlijke ouders.

Donkere wolken trekken het dal binnen als ik op huis aan ga. Een straffe wind jaagt het stof op, mensen halen de cacaobonen binnen en zetten hun olielampen klaar. Het is half februari, de eerste regen zou zomaar kunnen komen. Een paar uur later ontlaadt het wolkenfront zich in een majestueus onweer boven Kùbe. De donder rolt door de bergen en de bliksem barst de lucht. Vanaf ons erf sla ik het schouwspel gade, luisterend naar Brian Eno’s Just Another Day On Earth, totdat de eerste druppels vallen. Die nacht ruist de regen me in slaap.

De volgende ochtend heeft de stoffige lucht plaatsgemaakt voor de eerlijke geur van vochtige aarde. Als ik uit het dorp wegrijd is de lucht strak blauw. Kinderen halen water bij de dorpspomp terwijl hun schooluniformen aan de waslijn hangen. Volwassen scherpen de kapmessen voordat ze naar het land gaan. Ik hang uit het raam en zwaai met beide handen. De mensen lachen, zwaaien, stoten elkaar aan: Akpafu-Yao gaat er vandoor.Bye bye ló, roepen ze. Tot de volgende keer!

Geplaatst in Voorjaar 2011 | Getagged , | 3 Reacties

De dorpsfilosoof

Op een dag, als ik rondloop in het dorp, word ik staande gehouden door een man die zich voorstelt als Kubiti. “Zeg, ik zie je altijd in het dorp rondlopen en opnames maken. Je archiveert je opnames toch wel goed?” “Jazeker,” zeg ik, blij iemand tegen te komen die dat belangrijk vindt. “Waarom vraag je dat?” “Oh, gewoon, omdat dat goed is. Het kan zo maar zijn dat over vijftig jaar iedereen overleden is die onze muziekstijlen beheerst. Dan is het goed als jouw opnames er zijn.”

Ik kijk verbaasd en neem hem nog eens goed op. Heb ik hem soms eerder gesproken en verteld waarom ik hier ben? Nee, ik ken hem niet, althans niet direct. “En niet alleen de muziek,” gaat hij verder. “Ook hoe mensen nu spreken. Want over honderd jaar is het allemaal veranderd. Als er dan opnames zijn van een eeuw oud willen mensen die zeker horen. Weet je, taal verandert. Daarom is het ook niet erg dat de jeugd soms dingen anders zegt, al mopperen de oudsten daar nog zo veel over. Toen zij jong waren mopperden hun oudsten ook, alleen dat zijn ze vergeten.”

Ik grijns. Dat is precies wat ik altijd denk als ouderen tegenover mij hun beklag doen over de teloorgang van het echte Siwu. Heeft deze man taalkunde gestudeerd ofzo? “Ja, je doet belangrijk werk hier,” gaat hij verder. “En zo te zien ben je er gelukkig mee. Of heb ik ongelijk?” De vraag verrast me. Jazeker ben ik er gelukkig mee. “Ik vraag het omdat dat het belangrijkst is.” Hij maakt een weids gebaar in de richting van de vallei, waar veel Mawu op kleine schaal mais, rijst, en cacao verbouwen. “Ik werk op het land. En ik ben gelukkig met mijn leven. Veel van mijn vroegere maatjes zijn vertrokken naar de grote stad om een ‘propere’ baan te vinden. Als ze hier terugkomen met hun mobieltjes en zonnebrillen doen ze altijd een beetje meewarig. Maar ik heb nagedacht, en besloten dat dit leven goed voor mij is.”

‘Het begint met jezelf onderzoeken’

Waar haalt deze man al die wijsheid vandaan? Hij ziet er jong uit, hoogstens veertig. Hij lacht en grijpt me bij mijn arm. “Kom, laten we de schaduw opzoeken. Dit hier is mijn erf. Ga zitten, ik haal wat te drinken.” Als hij terugkomt met twee kalebassen en me wat palmwijn inschenkt vraag ik hem hoe hij aan zijn ideeën komt. “Oh, gewoon,” —hij haalt zijn schouders op en gebaart naar de grote mangoboom die zijn schaduw over het erf werpt— “als ik terugkom van het land rust ik uit onder mijn boom en denk ik na.” Ik leun achterover en bekijk het erf met andere ogen. Dit is de werkkamer van een filosoof. De wind ruist door de takken van de mangoboom. De oude wortels kronkelen over de rotsachtige grond. Een hardhouten plank vormt een zitplaats tegen de stam.

“Hoe gaat dat in zijn werk?” zeg ik. “Nou kijk,” zegt hij, “Het begint met jezelf onderzoeken. Vijf jaar geleden schaamde ik me wel eens tegenover mijn vrienden. Waarom? vroeg ik mezelf af. Het antwoord was dat ik het gevoel had dat zij dingen bereikten. Ze verdienden geld en konden in een appartement in Accra wonen. Ze deden hun kinderen naar school. Toen bedacht ik dat ik ook dingen bereik. Ik heb hier een klein winkeltje; de inkomsten daarvan en van de verkoop van de oogst zijn precies genoeg voor het schoolgeld van mijn kinderen. Dit huis hier heb ik met mijn eigen handen gebouwd. Het is natuurlijk maar van leem en niet van steen. Maar is het niet beter, zei ik tegen mezelf, om in een zelfgebouwd lemen huis in Kawu te wonen dan in een betonnen huurwoning in Accra waar elk moment de huur opgezegd kan worden?”

Deze manier van denken bevalt me wel. “En hoe weet je eigenlijk dat taal verandert?” vraag ik. “Door na te denken,” zegt hij. “Er is variatie. Bijvoorbeeld: sommige mensen zeggen ɔ̀to ɔ̃̀ɔ̃ba, anderen (vooral ouderen) zeggen ɔ̀to ɔ̀àba voor ‘hij komt eraan’. Het kan heel goed dat over twintig jaar de ene vorm de andere overstemd heeft. Dan heeft er een kleine verandering plaatsgevonden. Nu zegt men nog dat het fout is. Dan weet men niet beter. Is het niet?” Ik beaam dit, en hij gaat verder. “Stapel al die kleine veranderingen op over een periode van een paar honderd jaar en het wordt moeilijk te verstaan. Een tijd terug zeiden een paar jagers dat ze de geest van een voorvader waren tegen gekomen in het woud. ‘En konden jullie hem verstaan?’ vroeg ik. Ze zeiden van nee. Precies wat ik dacht. Als we een voorvader zouden tegenkomen van drie eeuwen terug zouden we zijn tongval niet thuis kunnen brengen. En onze manier van spreken zou hem in de oren klinken als een vreemde taal.”

‘Als de zon ondergaat gooi je je hoed toch niet meteen weg?’

Voilá. Dat is beter dan ik het zelf uit kan leggen. Zoals hij tegenover me zit, gekleed in een linnen broek en een eenvoudig wit hemd, past hij perfect in de traditie van de ordinary language philosophers. Wittgenstein kwam ook tot zijn beste inzichten na jaren tuinieren in een Benedictijns klooster. “Weet je,” zegt hij, “veel mensen zijn te snel met het veroordelen van zaken. Je moet niet bang zijn voor verandering. Maar je moet ook je verleden niet zomaar verwerpen. Vaak denk je er later anders over en zou je willen dat je terug kunt. Als de zon ondergaat gooi je je hoed toch ook niet meteen weg? Misschien komt ze de volgende dag weer op — waarmee zul je dan je hoofd bedekken?”

Ik glimlach bij mezelf om het mooie beeld. Maar het is hem ernst. “Neem onze traditionele klaagzangen. De kerk vond ze te droevig en heeft ze verboden. In plaats daarvan gaf ze ons blijmoedige hymnen. Maar vertel me,”—hij spreidt zijn handen in een vragend gebaar—”zullen we ooit ophouden te rouwen?” Ik tuit mijn lippen en knik bedachtzaam, maar hij corrigeert me en stelt de vraag nogmaals op Socratische wijze. “Vertel me, zullen we ooit ophouden te rouwen?” Ik hoef niet lang na te denken. Gisteren nog is iemand in het dorp overleden die ik goed kende. Vanochtend heb ik mijn medeleven betuigd bij de familie thuis. “Nee,” zeg ik, “rouw hoort bij het leven net als blijdschap.” “Precies,” zegt hij. “Kinderen worden geboren en ouderen sterven. Dat is de aard van ons bestaan. Er is een tijd van blijdschap en een tijd van rouw; een tijd voor blijde liedjes en een tijd voor klaagzangen.”

‘Wees nooit te snel met oordelen’

Hij vertelt een verhaal over de eerste zendeling in Akpafu-Todzi, Herman Schosser (hier nog steeds bekend als ‘Sjosa’), die zijn bekeerlingen verbood te rouwen op traditionele wijze. Toen de vrouw van een prominent oudste was overleden preekte Schosser vurig over de hemelse blijdschap. Hij liet juichende liederen zingen onder begeleiding van zijn klasje koperblazers. Hij verbood de klaagzangen en legde zelfs boetes op aan zijn bekeerlingen. Het was moeilijk, maar men luisterde naar hem en rouwde niet openlijk. “Maar op een dag!” zegt Kubiti, “op een dag werd Schosser’s eigen vrouw ernstig ziek. Ze overleed binnen een week.1 Schosser zat op zijn veranda en huilde openlijk. De dorpelingen bezochten hem en konden alleen maar in stilte hun medeleven betuigen. Die gebeurtenis heeft Schosser milder gemaakt.” Kubiti plengt de laatste slok van zijn palmwijn op de roodlemen grond. “Zo zie je maar,” besluit hij, “wijs nu iets af, en je komt er na een paar jaar op terug. Wees nooit te snel met oordelen.”

Langzaam maar zeker zakt de zon achter de bergen. Tijd om op huis aan te gaan. Ik spreek af om morgen weer langs te komen en leg een muntje neer voor de palmwijn. Hij heeft tenslotte een winkeltje. “Oo nee,” zegt hij als we opstaan, “Je hebt geluk vandaag, het is gratis. Voor deze ene keer. De volgende keer moet je gewoon betalen, net als bijna iedereen.” Bij “bijna iedereen” wijst hij met een grijns naar een tekst op de muur in zijn winkel: “Credit can be given to / customers above 91 yrs / who come with parents.” Dat kan natuurlijk alleen een filosoof bedenken. We lachen samen, hij geeft me een klap op de schouder en zegt dat ik door moet gaan met mijn belangrijke werk. “Maar je moet wel wat aan je accent doen. Je buigt je zinnen teveel naar boven af.” Auw, dat is toch een knauwtje voor mijn zelfvertrouwen. Maar ook nuttig om te horen; veel mensen zijn al zo blij met mijn kreupele Siwu dat ze me niet snel verbeteren, zeker niet op het punt van intonatie. Kubiti toont zich een ware filosoof: gematigd waar het kan, scherp wanneer het moet. Terwijl ik langzaam naar huis wandel voel ik me verrijkt. Kawu blijft verrassen.

In Kubiti's winkel

In Kubiti\’s winkel

Noten

  1. Schosser’s eerste vrouw is inderdaad overleden en begraven in Akpafu-Todzi in december 1911. Volgens de stationskroniek overleed ze aan de complicaties van een blindedarmonsteking. []
Geplaatst in Voorjaar 2011 | Getagged , , | 9 Reacties

Mee met Tugulubi

Om 5:00 gaat mijn wekker. Versuft vraag ik me af waarom; dan herinner ik me dat ik vanochtend op stap ga met Tugulubi. Het is Ikulu, de rustdag van de traditionele zesdaagse week, de dag waarop de meeste mensen niet naar het land gaan. Na een plens water en een goede kop koffie voel ik me al een stuk beter. Als Tugulubi me een halfuurtje later komt ophalen heb ik net mijn rugtas volgestopt met opnameapparatuur en batterijen. Daar gaan we!

Ik weet eigenlijk niet precies wat we gaan doen. Tugulubi, één van de oudsten, zei gisteren dat hij een belangrijk ritueel te doen heeft in Todzi en vroeg of ik mee wilde gaan. Nu klimmen we samen de berg op terwijl een rode lucht achter de bergkam de komst van de zon aankondigt. In Todzi, dat net ontwaakt als we aankomen, zijn kinderen water aan het halen terwijl we de uit steen gehouwen trappen beklimmen die zich rond de lemen huizen wentelen. Ik heb net mijn minicameraatje in de hand genomen als Tugulubi plotseling rechtsaf een steegje in slaat van nauwelijks een halve meter breed. We komen uit op een binnenplaatsje waar een klein schuurtje staat. Tugulubi doet zijn slippers uit en gebaart mij hetzelfde te doen. Dan begint hij zijn hemd los te knopen. Ik rommel in mijn tas op zoek naar het statief van mijn camera. Als ik opkijk gebaart Tugulubi dat ik ook mijn bovenlijf moet ontbloten. Ook dat doe ik. (Even ben ik bang dat ik me nog verder moet uitkleden maar dat is natuurlijk onzin.) En nu? Ik weet wat het schuurtje is. Een soort tempel. Elke clan heeft er een. Ik ben er nog nooit binnen geweest. Tot nu toe.

Tugulubi ontsluit de deur en stapt voorzichtig achterwaarts naar binnen, terwijl hij zijn komst aankondigt met het roepen van “Lɔbɔɔ! Lɔbɔɔ! Lɔbɔɔ!” Dan wenkt hij mij. “Moet ik ook achterwaarts?” fluister ik, maar hij schudt nee. Eenmaal binnen moeten mijn ogen even wennen aan het duister. Alleen door een rand tussen muur en dak valt wat zonlicht naar binnen. Aan een koord hangen handgemaakte objecten: fijngeweven tassen, kwasten van geitenhaar, en messen met dessins in rood en zwart. Een halfhoog muurtje onttrekt een hoek van de ruimte uit het zicht. In die hoek hangt een gordijn, dat Tugulubi nu voorzichtig omhoog vouwt. Dan gaat hij zitten op een houtsnijwerken krukje. Hij haalt een zakje met wit rijstemeel tevoorschijn, schept er met een houten lepel wat uit, en strooit het op het altaar. Hij legt er ook twee eieren bij. Hij pakt een klein glaasje en schenkt er wat sterke drank in. Dan begint hij te spreken.

Ooo, Gij die boven verblijft! Op deze morgen van Ikulu komen wij tot u. Er zijn geen doden, er zijn geen zieken. Wel breng ik een blanke die onze gebruiken wil leren. Wij verwelkomen hem. Ooo Tɔkpaikɔ! Die het land van de Mawu vruchtbaar maakt en hun werk op de akkers zegent! Ooo, Orɛrɛ Tagbaraa! Die de Mawu hierheen geleid hebt en hen beschermt! Ooo voorvaders! Bosate Tevɔ, Akoto, Adum!” Bij elk rijtje namen plengt mijn begeleider een beetje van de drank op het altaar, een ruwe steen die direct op de grond ligt. Ik luister verder. “Ooo, Ɔgagɛ̃, Ɔgagɛ̃-Tete, Kàɣɛi! Ɔtikpo, Kabɛsɛi, Akpɛngbe! Ooo Vuvuli, Fio, Kàtukala! Ɔkalasɛrɛrɛ, Kakpadzi, Kakpadzi-Tɛ! Ooo…” Hee! Dit zijn allemaal plekken waar ik geweest ben. Dit zijn plaatsnamen! Rivieren, oude ijzermijnen, de vruchtbaarste stukken land, herkenningspunten — het gebed van Tugulubi beweegt zich in een cirkel vanuit Todzi naar de bergen rondom en weer terug. Vol eerbied luister ik naar de oude namenlijst, terwijl ik merk dat kippevel me bekruipt. De voorvaderen, de bronnen waaruit je drinkt, het land dat je bewerkt. Hoe aards, hoe elementair, hoe mooi kan een gebed zijn.

Dan hoor ik mijn naam. “Ooo voorvaders! De blanke bezweert dat hij niet wist dat hij een gift moest brengen. Reken het hem niet aan! Hij is hier met goede bedoelingen.” Tugulubi kijkt op en geeft me een knipoog. Ik knik schuldbewust. Dan sluit hij af. Hij buigt kort voorover, brengt zijn handen bij elkaar in zijn nek en beweegt ze over zijn hoofd naar zijn borst. Dan klopt hij zich drie keer op de borst en raakt de grond aan met zijn vingertoppen. Hij gebaart mij om hetzelfde te doen, wat ik doe. Dan brengt hij het gordijn weer op zijn plek en staat hij op. Als we buiten in het felle zonlicht staan zegt hij, “Het is je vergeven. Maar de volgende keer moet je twee flessen Schnaps meebrengen.” Ah, Schnaps. De belangenloze culturele bijdrage van de Duitse kolonisator. Ik vraag waarmee geplengd werd voordat er Schnaps was. Het antwoord is palmwijn. En waarom wordt dat nu niet meer gebruikt? Omdat Schnaps krachtiger is natuurlijk, zegt hij terwijl hij de deur van het huisje zorgvuldig sluit. Hij daalt weer af naar Mempeasem. Ik blijf nog even boven, om te genieten van de frisse bries en uit te kijken over Kawu, dat ineens een heel nieuw netwerk van betekenis voor mij verworven heeft.

Geplaatst in Voorjaar 2011 | Getagged , , | 2 Reacties

En dan nu de andere kant

Dat was natuurlijk wel erg positief. De gelukkigste man in Kawu… Pff. In werkelijkheid ging het helemaal mis met de bagage bij aankomst op Kotoka International Airport, kwam ik totaal verbogen aan in Hohoe omdat ik de slechtste zitplaats in het busje had gekregen, en betwijfelen de vrouwen hier openlijk of mijn zaad wel goed is omdat ik nog steeds geen kind heb. Verder is het hier warm, stoffig, en is de lucht permanent heiig. Op sommige dagen zijn de bergen niet eens zichtbaar. Dat is nou mijn idyllische veldwerklokatie.

Gisteren was de begrafenis van een jonge vrouw van 32, moeder van twee, die zichzelf op de eerste dag van het nieuwe jaar opgehangen heeft. De echtgenoot, iemand van buiten, was niet op komen dagen, wat de vermoedens van mishandeling die in het dorp rondzongen alleen maar bevestigde. Uiteindelijke ontaardde de ceremonie in een vechtpartij met de familie van de echtgenoot. Men ging elkaar met stokken en stenen te lijf tot de bezoekers van buitenaf de benen namen en in een stofwolk het dorp uitrenden, de angry young men van het dorp er achteraan.

Nee, idyllisch is misschien niet altijd het juiste woord voor Kawu. Ik heb eerder geschreven dat het leven hier geen masker draagt; dat het contrastvoller en daardoor kleurrijker is. Dat laat zich trouwens ook in de seizoenen zien. Sinds begin november heeft het hier niet geregend, en dat zal nog voortduren tot eind februari. De aarde is kurkdroog, de vergeelde vegetatie knispert onder je voeten en alles is bedekt onder een laagje fijn stof — hetzelfde stof dat, aangevoerd door de woestijnwind, de lucht heiijg en je neus branderig maakt. Wat een enorm contrast met het regenseizoen, waarin alles explodeert in een kloppende, groeiende, zoemende extravaganza van leven.

Het spijt me als ik je door mijn optimisme op het verkeerde been heb gezet. Het is hier geen gelukzalig paradijs, gewoon een stoffig dorpje met een paar honderd mensen die hun ding doen. Ik ben geen weldoener die op handen gedragen wordt, eerder een blanke waarvan niet iedereen precies begrijpt wat hij doet maar goed het is wel leuk dat hij Siwu spreekt. Zoals altijd met contrast heb je beide kanten nodig om überhaupt iets te ervaren.1 Geen comfort zonder lijden, geen vriend zonder vijand, geen regenseizoen zonder droogte. Daarom bij deze de andere kant van het verhaal, want geef toe, alleen geluk is maar saai.

Noten

  1. Dat is trouwens ook de reden waarom ik me nooit echt goed een hemel voor heb kunnen stellen. Is contrast niet wat het leven zin geeft? Hoe kan een mens gedijen in een omgeving zonder pijn, zonder ruzie, zonder vijanden? Hoe goed het ook klinkt op het eerste gezicht, zodra ik erover nadenk wordt het minder voorstelbaar. Geen sarcasme? Geen verhitte woordenwisselingen? Nooit meer met een griepje in bed blijven terwijl je moeder je slappe thee te drinken geeft? Paradoxaler nog: Nooit meer de kracht van vergeving uitoefenen? Geen zelfbeheersing meer om te cultiveren? Geen vijanden meer om lief te hebben? Maar goed, dat zijn veel te grote vragen om dit stukje mee te eindigen; vandaar dat ik ze in een voetnoot stop. []
Geplaatst in Voorjaar 2011 | Getagged | 14 Reacties

De gelukkigste man in Kawu

Een vlucht vogels scheert over een dichtgevroren rivierarm waarin een baggerschip wacht op betere tijden. Erboven een melkwitte zon die zich schuchter in ochtendmist hult. Het lijkt wel een hedendaagse Van Ruysdael. Wat kan Nederland toch mooi zijn. Vooral als het aan je voorbijglijdt in de trein op weg naar Schiphol, weg van huis en haard, naar een tropisch land waar de stof en droogte van harmattan regeren in plaats van koning winter.

Met twee uur vertraging begint mijn vijfde Ghana-reis in stijl. Het is wel een beetje jammer van mijn plekje bij het raam, dat ik uitgekozen had om vóór het donker de Sahara te bewonderen, maar zo zij het. Een vuurrode zonsondergang boven de straat van Gibraltar maakt veel goed. Mijn vluchtbuur is een schattig meisje dat als we met een bonk landen de slaap uit haar oogjes wrijft en vraagt, “Mami, is this Ghana?” Haar moeder knikt en we glimlachen naar elkaar.

Ik breng de nacht door in Accra om de volgende dag verder te reizen naar Kawu. De reis van Accra naar Hohoe verloopt gesmeerd, in een volgepakt busje met achterop de tekst LIFE MINUS GOD EQUAL TO PROBLEM. Voor de eerste keer lukt het me om stiekem een foto te nemen van een politieagente die haar bribe wegstopt (zie onder). Eenmaal in Hohoe vind ik al snel een taxi naar Mempeasem, het dorp in Kawu waar ik verblijf.

In Kawu zijn het de kinderen die me het eerst herkennen. In koor joelen ze “Mr Mark, Mr Mark, Mr Mark!” De volwassen kijken eerst nog een keer, slaan dan hun handen voor de mond en roepen “Oo! Yaosɛ! Ben je het echt?” Ze kunnen het haast niet geloven. Ik eigenlijk ook niet. Toen ik hier wegging in april 2009 was het nog niet duidelijk of ik de mogelijkheid zou krijgen om ooit terug te komen. De eerste dag gebruik ik om iedereen uitgebreid te begroeten. Als ik zo door het dorp kuier, over voetpaadjes die rond de bruinrode lemen huizen slingeren, van erf naar erf waar me een warm welkom wacht, voel ik me innig dankbaar. Wat zijn de Mawu toch prachtige mensen, en wat is het goed om hier te zijn. Ik ontdek ook dat het met mijn Siwu nog aardig gaat; misschien omdat ik zoveel met opnames van alledaagse gesprekken gewerkt heb.

De volgende dag klim ik naar Todzi, het hogerop gelegen dorp waar ik ook veel mensen ken. Ik heb gehoord dat de vrouw van de chief een paar dagen geleden is overleden; als het kan wil ik hem mijn medeleven betuigen. Als ik het dorp inkom steekt verderop een steviggebouwde man de weg over. Zou dat…? “Hee, T.T.!” roep ik. Hij staat stil, tuurt naar me, werpt dan zijn armen in de lucht en komt op me afrennen. We omhelzen elkaar stevig en hij ramt me op mijn schouders. Dan neemt hij me mee naar zijn huis en biedt me wat te drinken aan.

T.T. (spreek uit: “Tie Tie”), ook wel Timothy, is één van mijn meest bijzondere vrienden in Kawu. In 2007 was hij een nukkige taxi-chauffeur die me bedolf onder moeilijke Siwu-zinnen en ongeduldig werd als ik hem niet meteen begreep. In 2008, toen mijn Siwu iets beter werd, ontdooide hij een beetje en vroeg hij me te helpen met het opnemen van traditionele muziek; maar hij maakte duidelijk dat hij niet onder de indruk was van mijn vooruitgang en bleef me pushen om mijn Siwu te verbeteren. In 2009, toen ik voor de vierde keer kwam, had ik zijn vertrouwen eindelijk gewonnen en werd hij iemand die het belang van mijn werk verdedigde en overal deuren deed opengaan. Ook ontpopte hij zich tot cultuuractivist: hij riep mensen op om hun traditionele muziek niet verloren te laten gaan en hij zorgde ervoor dat op begrafenissen onze opnames van Siwu-klaagzangen gespeeld werden in plaats van Westerse kerkmuziek. En toen was ik verdwenen, voor bijna twee jaar. Geen wonder dat we blij zijn om elkaar weer te zien.

Nadat we bijgepraat zijn bij T.T. thuis neemt hij me mee naar de chief. Ik ben een beetje zenuwachtig, maar T.T. vertelt me hoe ik het moet zeggen (zoals voor elke soort ontmoeting is ook hier een officieel script voor) en we oefenen de uitwisseling een paar keer samen. Eenmaal bij de chief aangekomen loopt alles op rolletjes. Ik leg uit dat ik net gearriveerd ben, het slechte nieuws hoorde, en besloot mijn condoleances over te brengen. Als de officiele uitwisseling afgesloten is neemt de chief het woord. “Yaosɛ. Weet dat dit gebaar zeer gewaardeerd wordt. Sommigen horen van een verlies en denken, ach, dat komt later wel. Jij bent gisteren aangekomen vanuit Europa en vandaag maak je hier je opwachting om je medeleven te betuigen. Dat betekent veel voor me. Het laat zien dat wij een persoonlijke relatie hebben. Mijn dank hiervoor. Welnu, vertel me wat deze keer je missie is, en ik zal er alles aan doen om je te helpen.”

Ik glimlach breed en buig licht voorover terwijl ik me realiseer dat de zaken wel een heel voordelige wending nemen zo op de tweede dag van mijn veldwerktrip. Kort leg ik uit mijn doelen uit en hoe mijn werk tot nut kan zijn voor de gemeenschap. De chief hoort het aan en draagt zijn woordvoerder op ervoor te zorgen dat ik mijn werk zo goed mogelijk kan doen, en dat ik hulp krijg waar nodig. Ik betuig mijn dank en zeg dat ik niet van plan ben een beroep te doen op zijn hulp tot vijf dagen na de begrafenis van zijn vrouw, de officiele rouwperiode. Hij glimlacht en zegt, “Maak je geen zorgen, T.T. helpt je wel op weg.” We sluiten de visite af met een plengoffer van palmwijn, zoals het hoort.

Eenmaal buiten plannen we samen wat we de komende weken gaan doen. T.T. heeft mijn hulp nodig om goede opnames te maken van verschillende muzieksoorten. Hij is zo blij met mijn komst dat hij een vreugdedansje doet. Als we afscheid nemen zegt hij, “Ik ben de gelukkigste man in Kawu.” ” Nee,” zeg ik, “dat ben ik!” We spreken af om elkaar zondag weer te zien. Vrolijk neuriënd maak ik de afdaling naar Mempeasem terwijl de zon achter de bergen zakt en het achtergrondkoor van cicades aanzwelt.

Geplaatst in Voorjaar 2011 | Getagged , , | 2 Reacties

Nieuwe reizen

Het is weer zover — ik mag weer naar Kawu! Mijn laatste reis naar Ghana was in het voorjaar van 2009. Ik heb ondertussen niet stilgezeten. Sindsdien heb ik mijn onderzoek op meer dan 10 internationale conferenties mogen presenteren en heb ik een proefschrift geschreven van meer dan 400 pagina’s. Niet zonder slag of stoot overigens; soms achtervolgde het zelfs in mijn slaap… (Waar die doctorstitel blijft? De administratieve molens malen langzaam in Nijmegen.)

Vanaf 1 augustus 2010 werk ik als postdoctoraal onderzoeker in een nieuw project aan het Max Planck Instituut. Dat project, Human Sociality and Systems of Language Use, gaat alledaags taalgebruik in zeven verschillende talen verspreid over de hele wereld vergelijken. En één van die talen is het Siwu. In die nieuwe hoedanigheid ga ik in 2011 twee keer naar Ghana: vijf weken in januari/februari en een iets langere periode in de zomer. In de zomer gaat Gijske ook mee!

Tijdens mijn nieuwe reizen hoop ik jullie weer op de hoogte te houden van mijn belevenissen. Niet meer via waarbenjij.nu, maar via deze eigen website waar ik zelf de touwtjes in handen heb. Ik ben zo vrij geweest om iedereen die zich via waarbenjij.nu geabboneerd had ook in dit nieuwe systeem over te zetten — en nog wat meer mensen toe te voegen. Mocht je de mailtjes beu zijn dan kun je je hier gemakkelijk uitschrijven.

Vandaag vlieg ik van Amsterdam naar Accra. Vanaf Schiphol wens ik jullie allen een heel goed 2011 toe.

Geplaatst in Mededelingen | 3 Reacties

Kosmos

10 juni, 7:00 ‘s ochtends, downtown Toronto. De lucht is blauw, het belooft een mooie dag te worden. Ik gooi mijn drie dollar in de openbare telefoon en draai een Nederlands nummer. Een damesstem informeert me in het Engels dat ik voor $6,60 Gijske één minuut kan spreken. Dat heb ik niet en het is me bovendien te gortig. Als ik ophang zie ik een verlopen grijsaard in de prullenbakken rommelen. Ik groet hem vriendelijk in het voorbijgaan. Dan bedenk ik me en keer om om hem de drie dollar aan te bieden. Geheel tot mijn verbazing weigert hij. “I’m no beggar, sir. I’m just lookin’ for old iron to sell.” Ik leg uit dat mijn vrouw jarig is en dat ik zeker weet dat zij ook graag het geld aan hem gegeven zou hebben. Dan neemt hij het bedrag aarzelend aan. Met de felicitaties voor Gijske. En of ik iets weet van het heelal?

“Het heelal? Niet zoveel. Ik ben meer van de taal,” zeg ik nietsvermoedend. Dat is voor hem het startsein om los te barsten in een woordenwaterval. Hoe hij vroeger naar de hemel keek en dacht dat dat een soort plafond was met lichtjes erin. Dat hij op een dag las dat de meeste van die sterren héél ver weg zijn, op lichtjaren afstand. Dat de voor ons zichtbare sterren nog maar een paar speldenknopjes zijn in ons gigantische Melkwegstelsel, dat op zijn beurt maar één van de miljarden sterrenstelsels is die ontdekt zijn. Dat de ster Antares zo groot is dat als hij op de plaats van onze zon zou staan, de aarde er binnen zou vallen. Miljarden sterren en planeten, zonnen en manen in een tijdruimte van onvoorstelbare afmetingen. Wist ik dat allemaal?

Zijn ogen twinkelen. Dan, net zo plotseling als hij begon te praten schudt hij me de hand en neemt de benen. ‘Nice talking to you, sir. G’bye!’ Overrompeld kijk ik hem na. In een paar minuten heeft de goede man vervuld met zoveel ontzag voor de kosmos dat ik hem er nog lang dankbaar voor zal zijn. Mijn brein heeft moeite met schakelen tussen straat en sterrenstelsel. Goedgeluimd vervolg ik mijn ochtendwandeling. Het lijkt wel of de zon gloeit van trots terwijl ze vanachter de wolkenkrabbers opklimt om de stad op te laden.

Geplaatst in Diverse reizen | Één reactie