Handelsgeest

Een groot wit fort

Elmina, een klein vissersstadje aan de Ghanese kust. Vissers slepen hun boten het strand op, de markt is een mierenhoop, en voetgangers stuiven uit elkaar voor het getoeter van een bus die door de nauwe straatjes navigeert. In de bus, dicht opeengepakt, een hoop West-Afrikanen en een handjevol blanken. Na eindeloos gekronkel komt de bus uit op een klein pleintje aan de voet van een groot wit fort.

Met stijve ledematen rollen we de bus uit, om meteen bedolven te worden onder de straatverkopers. Een jongen trekt aan mijn arm en laat me een vodje zien met een paar namen en bedragen erop. ‘Hallo, wij zijn sporters, maar we hebben geen voetbalveld hier; dit is een project van een Duitse NGO; wilt u ook…’ Ik lach vriendelijk, schud nee. Hij lacht zijn mooie witte tanden bloot: ‘We can be friends!’ Daar kan ik hem geen ongelijk in geven, maar dat is niet genoeg om zijn aftroggeltruc door de vingers te zien. Ik raad hem aan iemand anders te proberen. Er is vandaag vast wel een dikke toerist met een schuldgevoel te vinden.

Over de ophaalbrug lopen we naar de poort, waarboven een trotse gouden leeuw prijkt. Dit was 250 jaren lang Nederlands grondgebied. Op het binnenplein van het fort verzamelen we voor de rondleiding. Eerst het kerkje. Van oorsprong Portugees, zegt de gids. De Hollanders, praktisch als altijd, maakten er een markthal van toen ze het fort in 1624 veroverden op de Portugezen. Binnen de muren van het fort werd verwoed gehandeld. Goedkoop buskruit, ijzer, en Westerse luxeartikelen werden hier ingeruild voor ruwe grondstoffen. Hier is de weelde van Veere en mijn geboortestad Middelburg op gebouwd, de prachtige koopvaardijpanden langs de kades, onze Gouden Eeuw. Dit is het glorieuze begin van de wereldmarkt.

Vanaf de binnenplaats lopen we door een smalle gang naar de slavenverblijven. Hier, in een paar ruimtes elk niet groter dan een woonkamer, zaten honderden slaven opeengepakt. Het enige licht komt van een raampje hoog in de muur. De kerkers komen uit op een tweede, kleinere binnenplaats waar de vrouwelijke slaven mochten luchten. Erboven is een balkon. Hier stond de gouverneur af en toe met zijn armen over elkaar de geketende vrouwen beneden te begluren. Als hij er ééntje zag die hem wel wat leek blafte hij een commando. De vrouw werd losgemaakt, kreeg eten en werd half aangekleed via een ladder naar boven gestuurd. Als de gouverneur genoeg van haar had werd ze weer naar beneden gejaagd.

We lopen een stukje verder, waar een nauw gangetje naar de laatste kelder leidt. Waarom stinkt het hier zo, vragen een paar van de Nigerianen in ons gezelschap. De gids antwoordt niet. Een mansbrede spleet in de muur biedt uitzicht op de eindeloze oceaan. Eéns in de drie maanden meerde hier een slavenschip aan. Uit deze ruimte keerde niemand terug. De gids vertelt hoe de slaven in de ruimen werden gepropt. Eenvijfde van hen overleefde de martelende zeereis niet. De rest werd voor goed geld verkocht aan plantage-eigenaren in de Nieuwe Wereld. Om me heen morren mijn West-Afrikaanse collega’s in ongeloof. Achter mij hoor ik iemand zeggen ‘They have to pay!’ Ik voel me plotseling nadrukkelijk blank.

Grafsteen in Fort Elmina

We verlaten de kerkers en verkennen de bovenverdiepingen. Grote eetzalen, een mooie Oud-Hollandse keuken, een kerkzaal met een bordje: ‘Godshuis voor eeuwig. Psalm 32’. Houten klikklak-vloeren. De ruime kamers van de gouverneur. O ja, het balkon. Via een statige trap komen we weer terug op het binnenplein. In één van de muren bevindt zich een grafsteen waarvan ik het grafschrift onwillekeurig hardop begin te lezen. De gids zegt: ‘Is dat jouw taal?’; uit de groep klinkt een roep om vertaling. Het Statenbijbel-Nederlands gaat me ongemakkelijk goed af en voor ik het weet sta ik voor een groep West-Afrikanen het grafschrift te vertalen van de “Bewinthebber Der Geoctroyeerde West-Indische Compagnie Ter Kamere Zeelandt”, overleden 12 maart 1758. De heer A. Andriese, Predikant te Veere, heeft het geheel voorzien van een stichtelijk woord. Ik knijp ‘m, en ben blij dat tenminste niet aan me te zien is dat ik letterlijk uit het hol van de leeuw stam.

Genoeg, genoeg, genoeg. Als de rondleiding ten einde is ontsnap ik aan de groep. Ik neus rond in de boekwinkel en ontdek daar een deur waardoor ik op de vestingmuren kan komen. Ik snuif de frisse zeelucht in en bedenk dat dit uitzicht eeuwenlang niet veranderd is. Onder mij zijn de massieve vestingmuren het onwrikbare bewijs van een cultureel systeem dat zulke bruutheden kan begaan. Mijn voorouders, Statenbijbel in de hand en daaldertekens in de ogen, hadden gewoon een goede neus voor de markt. Tot ze na twee eeuwen goed geld verdienen tot het verlichte inzicht kwamen dat zwarten ook mensen zijn. Het fort werd in 1871 voor een habbekrats verkocht aan de Britten, en de verschrikkelijke slavenhandel is verbannen naar een alineaatje in ons geschiedenisboek.

En wat deden de Hollanders vervolgens? Wat een goed handelaar betaamt, natuurlijk: de aandacht verleggen naar handelswaar die minder hoog op de morele agenda staat. Het is Paul Cliteur geloof ik die opgemerkt heeft dat de Nederlandse bioindustrie de grote morele blinde vlek van onze tijd is. Maar dat is een stem in de woestijn. De stem van het volk wordt ondertussen uitmuntend vertegenwoordigd door onze eigen minister-president, met zijn trots op de VOC. Bioindustrie? Dat zijn gewoon de wetten van vraag en aanbod, zeggen we, en we halen onze schouders op. Saillant detail is dat onze overschotten aan kippen-restvlees tegenwoordig op de Ghanese markt gedumpt worden. Hoezee, het kringetje is weer rond. De wereldmarkt blijft trouw zijn werk doen, en —je maintiendrai— Holland vaart er wel bij.

Dit bericht is geplaatst in Zomer 2008 met de tags , , , . Bookmark de permalink.

Één reactie op Handelsgeest

  1. reacties schreef:

    Aukje-Tjitske, 22 augustus 2008

    Sjonge, Mark, nogal penibele situatie waarin je zat! Je geeft wel weer (zij het bekende; maar toch weggezakte) stof tot nadenken! Al met al toch veel plezier toegewenst daar!

    Janneke de B., 22 augustus 2008

    Al lezend kreeg ik het gevoel dat je fijntjes je gram wilt halen.
    En ik begrijp het ook…

    Gijske, 22 augustus 2008

    Ze zeggen toch dat je je afkomst nooit helemaal kunt verloochenen?

    Dat geldt je voorouders en de Statenbijbel waar je mee bent opgegroeid. Op zo’n moment niet leuk om mee geconfronteerd te worden.

    “Want wij zien nu door een spiegel in een duistere rede…” 1 Kor. 13:12 SV

    Esther, 23 augustus 2008

    Pijnlijk verhaal idd.Zou iets dikker gedrukt de gs boekjes inkunnen wat mij betreft. Wij hebben het over het algemeen te druk met klagen over de bruutheden van onze oosterburen een jaartje of wat terug, maar we konder er zelf ook wat van. (zeeuwen…..)

    Jochem, 23 augustus 2008

    Heftig verhaal. Pijnlijk om te lezen. Ik hoop dat we ervan mogen leren, al geeft het verleden daar helaas weinig hoop voor. Maar wel bijzonder dat je daar bent geweest. Sterkte met het verwerken ervan.

    je moeder, 24 augustus 2008

    Goed zo Mark!
    Misschien een rare reactie, maar je stuk is me uit het hart gegrepen, iedere keer als ik er iets over hoor of lees schaam ik me diep! Ook voor de donkere Surinamers hier in mijn straat…
    We have to pay?! Ideeën hoe?
    Groeten Mark, tot ziens.

    Pieter, 25 augustus 2008

    Confronterende geschiedenis, geld gaat boven moraal… toen, nu, vrijwel altijd.

    Goede tijd nog daar.

    Connie, 29 augustus 2008

    Ik was onlangs in het slavernijmuseum van Liverpool, dat als haven een belangrijke rol speelde in de slavenhandel. Het werd me vooral duidelijk dat slavernij nog steeds bestaat (hoewel op kleinere schaal), en dat het niet altijd een kwestie is van wat wit zwart aandoet. Slavernij bestond al in sommige West-Afrikaanse culturen. Ik zou eerlijk gezegd niet weten of en hoe wij de morele last van het verleden zouden kunnen dragen, misschien inderdaad zoals je zelf zegt: door er zorg voor te dragen dat dit soort misstanden nu niet weer voorkomen.

    mark, 29 augustus 2008

    Gijs: zeer mooi citaat!
    Mama: u bent één van die paar brave zielen die zich er nog wel eens schuldig over voelen. Ik denk niet dat we kunnen terugbetalen, behalve dan door zelf het goede te doen.
    Connie: ik vond nuances niet echt in dit stuk passen…

Reageren?

Je e-mail adres zal niet gepubliceerd worden Verplichte velden zijn gemarkeerd met een *