Dasein

Elke keer als ik terugkom in Kawu warm ik mijn hart aan de levenslust en schrik ik van de dodenlijst. Ebenezer F., een vrolijke man die me geholpen heeft met veel van mijn experimenten, werd in januari hardhandig in elkaar geslagen terwijl hij een partij hardhout die niet van hem was aan het verplaatsen was in de bush. Drie weken later overleed hij aan zijn verwondingen. Hoewel iedereen weet dat de daders uit Odomi komen is de politie niet ingeschakeld; Ebenezer leefde geïsoleerd en niemand van de familie had geld om er achteraan te gaan. Bovendien hield hij wel van een glaasje en leefde hij niet al te koosjer. He had it coming. Verschillende anderen zijn overleden, waaronder de oude Binga, de lieve, dementerende man die vorig jaar zo blij was met zijn foto. Hij leeft voort in onze herinneringen, en in een paar van mijn opnames waar hij flarden van liedjes meeneuriet en tevreden gromt bij verhalen die hij herkent uit zijn jeugd.

Rond zes uur word ik wakker met het geruststellend geluid van de buurvrouw die haar erf bezemt. Terwijl ik kruidenthee drink op de veranda en de doden overpeins besluit ik dat er iets is aan het leven in Kawu dat fundamenteel goed is. Het leven draagt hier geen masker. Leed en geluk liggen dicht aan de oppervlakte. Ze zijn onlosmakelijk verbonden en worden met rechte rug tegemoet getreden. Misschien is het daarom dat het leven in Kawu me zoveel contrastvoller en kleurrijker toeschijnt. In het Westen wordt het leed weggemoffeld in een hoekje van de samenleving waarvan we liever wegkijken; en in het geluk wordt voorzien door verstrooiing en vermaak voor de massa’s. Vergeleken daarmee is Kawu de rauwe werkelijkheid die de zintuigen binnenstroomt en overrompelt. Ik wilde schrijven: het is de werkelijkheid in stereo en full-colour. Maar die beeldspraak verwisselt werkelijkheid met surrogaat.

De scherpe geur van fermenterende cacaobonen hangt over ons erf. Als ik de poort uitstap word ik omstuwd door de warme wind. De zinken daken blikkeren in de zon, in de verte hoor ik het gekwetter van kinderen die water halen. Dit is Kawu. Ik loop het dorp in om wat mangos te kopen. Voor Joe’s erf zitten zoals altijd wat mensen. Omdat ik een beetje mank loop trek ik hun aandacht. Ik zeg dat ik een pees verrekt heb, maar dat het al beter gaat. Gelukkig, zeggen ze hartelijk. Maar bij een enkeling proef ik meewarigheid met de blanke uit de surrogaatwereld die een pijntje heeft. In gedachten haal ik mijn schouders op. Ik kan er ook niets aan doen als ze dat over me denken. Bovendien is het waar dat ik hier op mijn eigen voorwaarden kom. Ik ben tot de tanden toe bewapend met pillen, smeersels, en inentingen. Voor mensen hier die me niet goed kennen zal ik toch een blanke uit de vitrinekast blijven. Iemand die er is en er toch niet echt is.

Later die dag, terwijl ik met Odime zit te werken, brengt een meisje een pannetje langs met zoete yam, een locale delicatesse. Ze heeft er een boodschap bij van Ella: “We zijn nu naar het land, maar we hopen je vanavond of morgen te zien.” We peuzelen de yam samen op en zijn het erover eens dat Ella heel lief is. Als ik Ruben en Ella de volgende dag opzoek rent Ella op me af en sluit me in haar armen. Ik schuif aan op het houten bankje. Ieders ogen schitteren, maar we zwijgen tot ik mijn glas koud water leeggedronken heb. Zo hoort dat. Ik bedank Ella voor de yam en geef haar een kadootje uit Nederland; stenen klompjes en een dienblad met oudhollandse taferelen. Ze pakt het uit, bewondert het uitvoerig, en houdt het dicht bij haar hart. Dan doet ze het bubbeltjesplastic er weer voorzichtig omheen alsof het er bij hoort. Ze vraagt naar Gijske en knikt trots als ik vertel dat het goed gaat op de universiteit. Ruben informeert of zijn verklaringen van ideofonen nog bruikbaar waren. Ik zeg dat ze erg in de smaak vallen bij collega’s. Wat ik er niet bij vertel is dat ik vorig jaar zoveel opnames met hem maakte in de wetenschap dat hij er dit jaar niet meer zou kunnen zijn. Ebenezer en de oude Binga gingen hem voor.

Ik leg mijn benen op tafel net als Ruben en eet mee van de avocado die rondgaat. We praten bij over de gebeurtenissen in het dorp terwijl het buurmeisje me nog een glas koud water geeft. We halen herinneringen op aan de oude Binga en zijn verhalen. Ella roostert pinda’s voor ons boven het vuur. Ze legt haar hand op mijn arm en zegt, “daar hou jij toch zo van?” En zo hervind ik mijn plek in Kawu.

Dit bericht is geplaatst in Voorjaar 2009 met de tags , , , , . Bookmark de permalink.

Één reactie op Dasein

  1. reacties schreef:

    Karin Visser, 30 maart 2009

    Heej Mark,
    leuk om je verhalen te lezen! Het klinkt ergens ontzettend vredig.
    Komende vrijdag land ik in Accra om daar de komende 4.5 maand rond te lopen. Dus wie weet, zien we elkaar nog wel in Ghana Very Happy.
    Karin

    Aukje-Tjitske, 30 maart 2009

    Hoi Mark,
    Je zit een beetje tussen twee culturen in, he. Het westen heeft een masker, een consumptiemaatschappij enzovoort, maar je bent er misschien ongewild wel door beinvloed. Maar voor de mensen die je goed kennen, besta je echt en ben je echt hoor!

    Gijske, 30 maart 2009

    @ Aukje-Tjitske: je hebt helemaal gelijk.

    Of je nu hier of daar bent, je hebt gelukkig overal met bepaalde mensen direct een klik. Mensen als Odime en Ruben & Ella hebben, denk ik, de eigenschappen die je hier ook bij je vrienden waardeert.

    Of simpeler gezegd: gelukkig heb je daar ook een mengeling van mensen waaronder bijzonder leuke vrienden!

    Esther, 30 maart 2009

    Tjonge, wel gek als je ierdere keer wanneer je terug komt een lijstje personen mist.
    Denk dat er wel een diepe waarheid zit in wat je zegt over de intensheid van het beleven van het leven. Zo zie je maar weer dat het hier niet per se beter hoeft te zijn, ondanks de welvaard. Goede tijd nog een succes met je onderzoek ook de groetjes van Pieter

    Steven, 31 maart 2009

    Hoi Mark,
    Ik heb je belevenissen een tijdje niet gevolgd, en dat was zonde. Het valt me nu meteen weer op hoe direct en tegelijk kleurrijk je schrijft. Net als het leven daar! Het is ook helemaal waar wat ik hieronder las, dat welvaart geen garantie is voor een beter leven. Het is een plezier op afstand met je mee te leven, maar hoop jullie binnenkort weer eens in levende lijve te zien, al dan niet bij een uitvoering van mijn koor!
    Groet,ook aan Gijske,
    Steven

    Allard, 31 maart 2009

    Als je wetenschappelijke carrière spaak loopt kun je altijd nog reisverhalen gaan schrijven…

    Maarten, 3 april 2009

    Met veel genoegen gelezen.

Reageren?

Je e-mail adres zal niet gepubliceerd worden Verplichte velden zijn gemarkeerd met een *