De Profetes en de Jujuman

I. De Profetes en de Jujuman

Het is al laat in de middag als ik op huis aan ga. Ruben Owiafe loop een stukje met me op. Voor ik het weet heeft hij me naar een omsloten erf geleid waar een groepje mensen onder een boom zit. ‘The lady is here,’ zegt hij. Een vrouw is luid voor iemand aan het bidden. De man die onderwerp is van haar gebed heeft zijn ogen gesloten met een ernstige frons. Een jonge vrouw zit met een mobieltje te spelen en wisselt enkele woorden met een man die naast haar zit. Er is iets met die man zijn gezicht, denk ik. En dan: die jonge vrouw moet de Profetes zijn.

De Profetes. Ze is eenvoudig gekleed en ziet er niet heel bijzonder uit. Toch schijnt ze veel invloed in het dorp te hebben. Ik krijg een stoel aangewezen en wacht tot de andere vrouw haar gebed beeindigt zodat ik iedereen in het Siwu kan begroeten. De aanwezige Mawu groeten me terug, de Profetes knikt minzaam. De man met het vreemde gezicht staat op om me een hand te geven en vraagt me mijn naam. Ik stel me voor en leg uit wat ik hier in Mempeasem doe. Hij stelt zichzelf voor als een pastor uit het noorden. Wat zijn dit nu voor mensen, vraag ik me af. Over de Profetes heb ik vreemde verhalen gehoord. Het schijnt dat ze vurige gebedsnachten organiseert. Ze komt uit een stadje aan de andere kant van de bergen en heeft een neus voor hekserij; en ze geneest mensen, vooral op afstand. Tijdens gebedsnachten wordt er natuurlijk ook geld ingezameld voor het goede doel. Afgelopen week was de collecte bestemd voor een nieuwe mobiele telefoon. Ruben vertelde me —in alle ernst— dat ze daarmee nu ook telefonisch voorbede kan doen. Haar diensten zijn nu dus zelfs beschikbaar voor Ghanezen in het buitenland. Is het niet geweldig? Ik frons onwillekeurig terwijl ongelovige gedachten over privé- versus zakelijk gebruik in me opkomen.

“Praise God halleluja!” Dat zei de Jujuman in het drinklokaal terwijl hij met een klap zijn glas op tafel zette. We waren de bar in gevlucht tijdens een plotselinge stortregen. Hij gaf een rondje akpeteshie (de lokale jenever); ik was de enige die afsloeg. De Jujuman is iemand naar wie mensen toegaan voor hulp in de onzichtbare wereld. Hij weet van kruiden en kan de ingewanden van een ram lezen. Hij is een Noorderling met een pikdonkere huid en een eigenaardige schittering in zijn ogen. Het verhaal gaat dat hij met een kapmes op zijn arm in kan hakken en nochtans ongeschonden blijft. Ik zou dat graag verifieren met mijn eigen (vlijmscherpe) kapmes maar iets zegt me dat dat niet gaat lukken. Hoe dan ook, de man geniet macht en aanzien in het dorp.

Tijdens die regenbui in het drinklokaal vind ik de gelegenheid om de Profetes ter sprake te brengen. Ik ben natuurlijk benieuwd hoe de Jujuman —verpersoonlijking van het duister in de christelijke ontologie— zich tot haar verhoudt. Ik peil eerst even: weten ze wie ik bedoel? Jazeker, de Profetes die bij de queen mother ingetrokken is. ‘Is die vrouw een echte profetes?’ vraag ik. De mannen schokschouderen. Dat ligt eraan. Hoe moet je dat weten? Dat is maar net hoe je het bekijkt. Ik vraag me af of ze zich misschien inhouden vanwege de Jujuman en kijk naar hem. Hij lijkt ongeïnteresseerd en mengt zich niet in het gesprek. Dan begint iemand over iets anders. Het begint me te dagen dat ik op zoek ben naar een contrast dat er niet is. Dit is geen kwestie van licht versus duister, of God versus Satan. De Profetes en de Jujuman zijn gewoon allebei dealers in bovennatuurlijkheden, en zolang er in dit dorp plaats is voor beiden hebben ze geen reden om elkaar in de weg te lopen.

II. Entropie en sociaal kapitaal

Wat mij intrigeert is de manier waarop deze dealers in bovennatuurlijkheden zich in het weefsel van een afgelegen bergdorpje kunnen nestelen. In mijn analyse zijn er twee sleutelfactoren. De eerste is sociale entropie. De tweede is sociaal kapitaal. Laat ik beginnen met de eerste. Entropie is, ruwweg, de mate van chaos in een systeem. Gemeenschappen kunnen een hechte eenheid vormen (stabiel systeem, lage entropie), of ze kunnen gekliefd worden door conflicten (instabiel systeem, hoge entropie). Voor Mempeasem geldt het laatste. Wat precies de wortel van het probleem is weet ik niet, maar het is een feit dat Mempeasem lijdt onder een gebrek aan eenheid. Men kan het niet eens worden over de opvolging van de chief; sommige clans mijden elkaar systematisch, waardoor dorpsvergaderingen worden gefrustreerd; plannen om de weg te asfalteren of de watervoorziening te vernieuwen lopen stuk op gebrek aan eenheid; enzovoort (dit verzin ik niet zelf; de mensen in het dorp zijn zich bewust van het probleem maar het is heel moeilijk op te lossen). De sociale entropie van Mempeasem is dus een stuk hoger dan bijvoorbeeld die van het strak georganiseerde buurdorp Odomi. Wat heeft dit alles te maken met onze geestelijke marskramers? Simpel: ze gedijen het best waar chaos en conflict is — want daar zijn hun diensten het meest nodig.

Dan de tweede factor. Sociaal kapitaal wordt doorgaans opgebouwd in een systeem van dienst en wederdienst. Maar er zijn manieren om het proces naar je hand te zetten, en dat is waar de Profetes en de Jujuman goed in zijn. Het werkt bijvoorbeeld in je voordeel als je controle over een schaars goed uitoefent; en macht in de onzichtbare wereld is zo’n schaars goed. De Jujuman trekt het systeem verder scheef door mensen angst aan te jagen met hekserij en ze tegelijk te vriend te houden (bijvoorbeeld door rondjes te geven in het drinklokaal). De Profetes geeft geen rondjes, maar zij heeft zo haar eigen methoden. Ze verzamelt een kring van bevoorrechten om zich heen die haar mogen helpen. Speciale voorbede verleent hen bescherming. Onder christenen helpt het natuurlijk ook als je vurig bent en inspeelt op de gevoelens van onvolkomenheid die elke kerkganger heeft. Intense gebedsnachten en profetieën passen mooi in dat plaatje. Daarnaast is het belangrijk dat zowel de Jujuman als de Profetes van buiten de gemeenschap komen. In deze gastvrije samenleving betekent een status als gast een voorsprong in sociaal kapitaal; bovendien is daarmee het verleden in mysterie gehuld en is er geen kans op openstaande schulden of demystificatie.

III. Een vreemde lus

Terug naar de compound met de Profetes en haar compagnon. Hij staat nog steeds naast me met zijn scheve gezicht. ‘Dus je bent een wetenschapper?’ vraagt hij. Ik bevestig dat. Na een tijdje nadenken zegt hij, ‘Veel wetenschappers geloven niet, klopt dat?’ Ik bevestig dat, maar voeg eraan toe dat er ook wel wetenschappers zijn die het niet weten, of die wel geloven. Aha, sommigen geloven dus wel. ‘Dus over het algemeen bestaat God?’, concludeert hij. Dat vind ik wel een interessante manier om het te stellen. God heeft een onzeker bestaan in het wetenschappelijke wereldbeeld, maar daarbuiten —dat is, voor de meerderheid van de mensheid— bestaat hij. De man kan hier prima mee leven en grijnst scheef, om dan plotseling te vragen: ‘Heb je gebed nodig?’

Gebed? De vraag overvalt me een beetje. Ik dacht dat ik alleen maar kwam polsen hoe het zat met die nieuwe Profetes. En nu is de vraag of ik gebed nodig heb. Ik denk eigenlijk van niet, maar dat klinkt zo onvriendelijk, dus ik zeg ‘Misschien’. Hij lacht breed en zegt: ‘Achter een misschien schuilt altijd een ja of een nee. Of niet soms?’ Ik knik aarzelend. ‘Je doet belangrijk werk. Laat ons voor je bidden zodat je verblijf hier nuttig en effectief zal zijn.’ Daar kan ik natuurlijk geen nee op zeggen. En dus spreekt de man een gebed uit. Tussen mijn oogharen door kijk ik naar de Profetes. Ze heeft haar ogen gesloten, haar handen om haar mobieltje heen gevouwen. Het gebed van de man is vurig en gemeend. Ik zie nu dat zijn ogen niet op dezelfde hoogte zitten, wat zijn gezicht een ernstige grilligheid verleent. Zijn ernst raakt me en ik ben hem dankbaar voor zijn compassie.

Klik. Er heeft nu een kleine uitwisseling van sociaal kapitaal plaatsgevonden. Een knipoog van het systeem dat ik probeer te analyseren. Een luid ‘amen’ weerklinkt; ik knipper met mijn ogen en de mensen in de kring lachen me toe. Ik geef de goede man een hand, klop Ruben op de schouder, en begeef me naar huis. Daar vind ik mijn assistent Odime en Kofi, die net het eten klaarheeft. Ik deel mijn eten met Odime. Zwijgend genieten we samen de maaltijd, hij dankbaar en ik lichtelijk verward.

Dit bericht is geplaatst in Voorjaar 2009 met de tags , , , , . Bookmark de permalink.

Één reactie op De Profetes en de Jujuman

  1. reacties schreef:

    Maarten

    Mooi.

    Esther & P ieter

    Diepzinnige analyse en ook wel ongrijpbaar. Succes met verder nadenken en analyseren!

    Adriaan en Janneke

    Boeiend om te lezen en beeldend beschreven,we zijn benieuwd of er nog een volgende aflevering over een nieuwe ontmoeting komt…

Reageren?

Je e-mail adres zal niet gepubliceerd worden Verplichte velden zijn gemarkeerd met een *