Mee met Tugulubi

Om 5:00 gaat mijn wekker. Versuft vraag ik me af waarom; dan herinner ik me dat ik vanochtend op stap ga met Tugulubi. Het is Ikulu, de rustdag van de traditionele zesdaagse week, de dag waarop de meeste mensen niet naar het land gaan. Na een plens water en een goede kop koffie voel ik me al een stuk beter. Als Tugulubi me een halfuurtje later komt ophalen heb ik net mijn rugtas volgestopt met opnameapparatuur en batterijen. Daar gaan we!

Ik weet eigenlijk niet precies wat we gaan doen. Tugulubi, één van de oudsten, zei gisteren dat hij een belangrijk ritueel te doen heeft in Todzi en vroeg of ik mee wilde gaan. Nu klimmen we samen de berg op terwijl een rode lucht achter de bergkam de komst van de zon aankondigt. In Todzi, dat net ontwaakt als we aankomen, zijn kinderen water aan het halen terwijl we de uit steen gehouwen trappen beklimmen die zich rond de lemen huizen wentelen. Ik heb net mijn minicameraatje in de hand genomen als Tugulubi plotseling rechtsaf een steegje in slaat van nauwelijks een halve meter breed. We komen uit op een binnenplaatsje waar een klein schuurtje staat. Tugulubi doet zijn slippers uit en gebaart mij hetzelfde te doen. Dan begint hij zijn hemd los te knopen. Ik rommel in mijn tas op zoek naar het statief van mijn camera. Als ik opkijk gebaart Tugulubi dat ik ook mijn bovenlijf moet ontbloten. Ook dat doe ik. (Even ben ik bang dat ik me nog verder moet uitkleden maar dat is natuurlijk onzin.) En nu? Ik weet wat het schuurtje is. Een soort tempel. Elke clan heeft er een. Ik ben er nog nooit binnen geweest. Tot nu toe.

Tugulubi ontsluit de deur en stapt voorzichtig achterwaarts naar binnen, terwijl hij zijn komst aankondigt met het roepen van “Lɔbɔɔ! Lɔbɔɔ! Lɔbɔɔ!” Dan wenkt hij mij. “Moet ik ook achterwaarts?” fluister ik, maar hij schudt nee. Eenmaal binnen moeten mijn ogen even wennen aan het duister. Alleen door een rand tussen muur en dak valt wat zonlicht naar binnen. Aan een koord hangen handgemaakte objecten: fijngeweven tassen, kwasten van geitenhaar, en messen met dessins in rood en zwart. Een halfhoog muurtje onttrekt een hoek van de ruimte uit het zicht. In die hoek hangt een gordijn, dat Tugulubi nu voorzichtig omhoog vouwt. Dan gaat hij zitten op een houtsnijwerken krukje. Hij haalt een zakje met wit rijstemeel tevoorschijn, schept er met een houten lepel wat uit, en strooit het op het altaar. Hij legt er ook twee eieren bij. Hij pakt een klein glaasje en schenkt er wat sterke drank in. Dan begint hij te spreken.

Ooo, Gij die boven verblijft! Op deze morgen van Ikulu komen wij tot u. Er zijn geen doden, er zijn geen zieken. Wel breng ik een blanke die onze gebruiken wil leren. Wij verwelkomen hem. Ooo Tɔkpaikɔ! Die het land van de Mawu vruchtbaar maakt en hun werk op de akkers zegent! Ooo, Orɛrɛ Tagbaraa! Die de Mawu hierheen geleid hebt en hen beschermt! Ooo voorvaders! Bosate Tevɔ, Akoto, Adum!” Bij elk rijtje namen plengt mijn begeleider een beetje van de drank op het altaar, een ruwe steen die direct op de grond ligt. Ik luister verder. “Ooo, Ɔgagɛ̃, Ɔgagɛ̃-Tete, Kàɣɛi! Ɔtikpo, Kabɛsɛi, Akpɛngbe! Ooo Vuvuli, Fio, Kàtukala! Ɔkalasɛrɛrɛ, Kakpadzi, Kakpadzi-Tɛ! Ooo…” Hee! Dit zijn allemaal plekken waar ik geweest ben. Dit zijn plaatsnamen! Rivieren, oude ijzermijnen, de vruchtbaarste stukken land, herkenningspunten — het gebed van Tugulubi beweegt zich in een cirkel vanuit Todzi naar de bergen rondom en weer terug. Vol eerbied luister ik naar de oude namenlijst, terwijl ik merk dat kippevel me bekruipt. De voorvaderen, de bronnen waaruit je drinkt, het land dat je bewerkt. Hoe aards, hoe elementair, hoe mooi kan een gebed zijn.

Dan hoor ik mijn naam. “Ooo voorvaders! De blanke bezweert dat hij niet wist dat hij een gift moest brengen. Reken het hem niet aan! Hij is hier met goede bedoelingen.” Tugulubi kijkt op en geeft me een knipoog. Ik knik schuldbewust. Dan sluit hij af. Hij buigt kort voorover, brengt zijn handen bij elkaar in zijn nek en beweegt ze over zijn hoofd naar zijn borst. Dan klopt hij zich drie keer op de borst en raakt de grond aan met zijn vingertoppen. Hij gebaart mij om hetzelfde te doen, wat ik doe. Dan brengt hij het gordijn weer op zijn plek en staat hij op. Als we buiten in het felle zonlicht staan zegt hij, “Het is je vergeven. Maar de volgende keer moet je twee flessen Schnaps meebrengen.” Ah, Schnaps. De belangenloze culturele bijdrage van de Duitse kolonisator. Ik vraag waarmee geplengd werd voordat er Schnaps was. Het antwoord is palmwijn. En waarom wordt dat nu niet meer gebruikt? Omdat Schnaps krachtiger is natuurlijk, zegt hij terwijl hij de deur van het huisje zorgvuldig sluit. Hij daalt weer af naar Mempeasem. Ik blijf nog even boven, om te genieten van de frisse bries en uit te kijken over Kawu, dat ineens een heel nieuw netwerk van betekenis voor mij verworven heeft.

Dit bericht is geplaatst in Voorjaar 2011 met de tags , , . Bookmark de permalink.

2 reacties op Mee met Tugulubi

  1. Janine schreef:

    Wow Mark, wat een kans en bijzondere gebeurtenis! Dat je zulke intieme momenten met de mensen mee mag maken zegt wel wat over hun vertrouwen in je. Goede tijd nog daar! En leuk je gisteren ff kort bij de viering te hebben gehoord!

    Groeten Janine

  2. Esther Grootendorst schreef:

    Hoi Mark,
    Wat leuk weer berichten van je te lezen. Dit was voor mij de eerste die doorkwam, zal wel een technische oorzaak voor zijn. Ik wist niet dat je weer naar Ghana ging. Leuk dat jullie van de zomer weer samen kunnen! Hoe is het met die jongen met epilepsie waar je je vorige reis over schreef? Dodzi? Wisten de mensen in het dorp helemaal neit dat je kwam. Ik neem aan dat je dat wel op de een of andere manier aankondigd? Je moet toch ergens onderdak regelen.
    Gijske ook weer succes met het alleen zijn en als je je verveeld en je bent in de buurt dan klop je maar aan!
    Gr Esther

Reageren?

Je e-mail adres zal niet gepubliceerd worden Verplichte velden zijn gemarkeerd met een *