De dorpsfilosoof

Op een dag, als ik rondloop in het dorp, word ik staande gehouden door een man die zich voorstelt als Kubiti. “Zeg, ik zie je altijd in het dorp rondlopen en opnames maken. Je archiveert je opnames toch wel goed?” “Jazeker,” zeg ik, blij iemand tegen te komen die dat belangrijk vindt. “Waarom vraag je dat?” “Oh, gewoon, omdat dat goed is. Het kan zo maar zijn dat over vijftig jaar iedereen overleden is die onze muziekstijlen beheerst. Dan is het goed als jouw opnames er zijn.”

Ik kijk verbaasd en neem hem nog eens goed op. Heb ik hem soms eerder gesproken en verteld waarom ik hier ben? Nee, ik ken hem niet, althans niet direct. “En niet alleen de muziek,” gaat hij verder. “Ook hoe mensen nu spreken. Want over honderd jaar is het allemaal veranderd. Als er dan opnames zijn van een eeuw oud willen mensen die zeker horen. Weet je, taal verandert. Daarom is het ook niet erg dat de jeugd soms dingen anders zegt, al mopperen de oudsten daar nog zo veel over. Toen zij jong waren mopperden hun oudsten ook, alleen dat zijn ze vergeten.”

Ik grijns. Dat is precies wat ik altijd denk als ouderen tegenover mij hun beklag doen over de teloorgang van het echte Siwu. Heeft deze man taalkunde gestudeerd ofzo? “Ja, je doet belangrijk werk hier,” gaat hij verder. “En zo te zien ben je er gelukkig mee. Of heb ik ongelijk?” De vraag verrast me. Jazeker ben ik er gelukkig mee. “Ik vraag het omdat dat het belangrijkst is.” Hij maakt een weids gebaar in de richting van de vallei, waar veel Mawu op kleine schaal mais, rijst, en cacao verbouwen. “Ik werk op het land. En ik ben gelukkig met mijn leven. Veel van mijn vroegere maatjes zijn vertrokken naar de grote stad om een ‘propere’ baan te vinden. Als ze hier terugkomen met hun mobieltjes en zonnebrillen doen ze altijd een beetje meewarig. Maar ik heb nagedacht, en besloten dat dit leven goed voor mij is.”

‘Het begint met jezelf onderzoeken’

Waar haalt deze man al die wijsheid vandaan? Hij ziet er jong uit, hoogstens veertig. Hij lacht en grijpt me bij mijn arm. “Kom, laten we de schaduw opzoeken. Dit hier is mijn erf. Ga zitten, ik haal wat te drinken.” Als hij terugkomt met twee kalebassen en me wat palmwijn inschenkt vraag ik hem hoe hij aan zijn ideeën komt. “Oh, gewoon,” —hij haalt zijn schouders op en gebaart naar de grote mangoboom die zijn schaduw over het erf werpt— “als ik terugkom van het land rust ik uit onder mijn boom en denk ik na.” Ik leun achterover en bekijk het erf met andere ogen. Dit is de werkkamer van een filosoof. De wind ruist door de takken van de mangoboom. De oude wortels kronkelen over de rotsachtige grond. Een hardhouten plank vormt een zitplaats tegen de stam.

“Hoe gaat dat in zijn werk?” zeg ik. “Nou kijk,” zegt hij, “Het begint met jezelf onderzoeken. Vijf jaar geleden schaamde ik me wel eens tegenover mijn vrienden. Waarom? vroeg ik mezelf af. Het antwoord was dat ik het gevoel had dat zij dingen bereikten. Ze verdienden geld en konden in een appartement in Accra wonen. Ze deden hun kinderen naar school. Toen bedacht ik dat ik ook dingen bereik. Ik heb hier een klein winkeltje; de inkomsten daarvan en van de verkoop van de oogst zijn precies genoeg voor het schoolgeld van mijn kinderen. Dit huis hier heb ik met mijn eigen handen gebouwd. Het is natuurlijk maar van leem en niet van steen. Maar is het niet beter, zei ik tegen mezelf, om in een zelfgebouwd lemen huis in Kawu te wonen dan in een betonnen huurwoning in Accra waar elk moment de huur opgezegd kan worden?”

Deze manier van denken bevalt me wel. “En hoe weet je eigenlijk dat taal verandert?” vraag ik. “Door na te denken,” zegt hij. “Er is variatie. Bijvoorbeeld: sommige mensen zeggen ɔ̀to ɔ̃̀ɔ̃ba, anderen (vooral ouderen) zeggen ɔ̀to ɔ̀àba voor ‘hij komt eraan’. Het kan heel goed dat over twintig jaar de ene vorm de andere overstemd heeft. Dan heeft er een kleine verandering plaatsgevonden. Nu zegt men nog dat het fout is. Dan weet men niet beter. Is het niet?” Ik beaam dit, en hij gaat verder. “Stapel al die kleine veranderingen op over een periode van een paar honderd jaar en het wordt moeilijk te verstaan. Een tijd terug zeiden een paar jagers dat ze de geest van een voorvader waren tegen gekomen in het woud. ‘En konden jullie hem verstaan?’ vroeg ik. Ze zeiden van nee. Precies wat ik dacht. Als we een voorvader zouden tegenkomen van drie eeuwen terug zouden we zijn tongval niet thuis kunnen brengen. En onze manier van spreken zou hem in de oren klinken als een vreemde taal.”

‘Als de zon ondergaat gooi je je hoed toch niet meteen weg?’

Voilá. Dat is beter dan ik het zelf uit kan leggen. Zoals hij tegenover me zit, gekleed in een linnen broek en een eenvoudig wit hemd, past hij perfect in de traditie van de ordinary language philosophers. Wittgenstein kwam ook tot zijn beste inzichten na jaren tuinieren in een Benedictijns klooster. “Weet je,” zegt hij, “veel mensen zijn te snel met het veroordelen van zaken. Je moet niet bang zijn voor verandering. Maar je moet ook je verleden niet zomaar verwerpen. Vaak denk je er later anders over en zou je willen dat je terug kunt. Als de zon ondergaat gooi je je hoed toch ook niet meteen weg? Misschien komt ze de volgende dag weer op — waarmee zul je dan je hoofd bedekken?”

Ik glimlach bij mezelf om het mooie beeld. Maar het is hem ernst. “Neem onze traditionele klaagzangen. De kerk vond ze te droevig en heeft ze verboden. In plaats daarvan gaf ze ons blijmoedige hymnen. Maar vertel me,”—hij spreidt zijn handen in een vragend gebaar—”zullen we ooit ophouden te rouwen?” Ik tuit mijn lippen en knik bedachtzaam, maar hij corrigeert me en stelt de vraag nogmaals op Socratische wijze. “Vertel me, zullen we ooit ophouden te rouwen?” Ik hoef niet lang na te denken. Gisteren nog is iemand in het dorp overleden die ik goed kende. Vanochtend heb ik mijn medeleven betuigd bij de familie thuis. “Nee,” zeg ik, “rouw hoort bij het leven net als blijdschap.” “Precies,” zegt hij. “Kinderen worden geboren en ouderen sterven. Dat is de aard van ons bestaan. Er is een tijd van blijdschap en een tijd van rouw; een tijd voor blijde liedjes en een tijd voor klaagzangen.”

‘Wees nooit te snel met oordelen’

Hij vertelt een verhaal over de eerste zendeling in Akpafu-Todzi, Herman Schosser (hier nog steeds bekend als ‘Sjosa’), die zijn bekeerlingen verbood te rouwen op traditionele wijze. Toen de vrouw van een prominent oudste was overleden preekte Schosser vurig over de hemelse blijdschap. Hij liet juichende liederen zingen onder begeleiding van zijn klasje koperblazers. Hij verbood de klaagzangen en legde zelfs boetes op aan zijn bekeerlingen. Het was moeilijk, maar men luisterde naar hem en rouwde niet openlijk. “Maar op een dag!” zegt Kubiti, “op een dag werd Schosser’s eigen vrouw ernstig ziek. Ze overleed binnen een week.1 Schosser zat op zijn veranda en huilde openlijk. De dorpelingen bezochten hem en konden alleen maar in stilte hun medeleven betuigen. Die gebeurtenis heeft Schosser milder gemaakt.” Kubiti plengt de laatste slok van zijn palmwijn op de roodlemen grond. “Zo zie je maar,” besluit hij, “wijs nu iets af, en je komt er na een paar jaar op terug. Wees nooit te snel met oordelen.”

Langzaam maar zeker zakt de zon achter de bergen. Tijd om op huis aan te gaan. Ik spreek af om morgen weer langs te komen en leg een muntje neer voor de palmwijn. Hij heeft tenslotte een winkeltje. “Oo nee,” zegt hij als we opstaan, “Je hebt geluk vandaag, het is gratis. Voor deze ene keer. De volgende keer moet je gewoon betalen, net als bijna iedereen.” Bij “bijna iedereen” wijst hij met een grijns naar een tekst op de muur in zijn winkel: “Credit can be given to / customers above 91 yrs / who come with parents.” Dat kan natuurlijk alleen een filosoof bedenken. We lachen samen, hij geeft me een klap op de schouder en zegt dat ik door moet gaan met mijn belangrijke werk. “Maar je moet wel wat aan je accent doen. Je buigt je zinnen teveel naar boven af.” Auw, dat is toch een knauwtje voor mijn zelfvertrouwen. Maar ook nuttig om te horen; veel mensen zijn al zo blij met mijn kreupele Siwu dat ze me niet snel verbeteren, zeker niet op het punt van intonatie. Kubiti toont zich een ware filosoof: gematigd waar het kan, scherp wanneer het moet. Terwijl ik langzaam naar huis wandel voel ik me verrijkt. Kawu blijft verrassen.

In Kubiti's winkel

In Kubiti\’s winkel

Noten

  1. Schosser’s eerste vrouw is inderdaad overleden en begraven in Akpafu-Todzi in december 1911. Volgens de stationskroniek overleed ze aan de complicaties van een blindedarmonsteking. []
Dit bericht is geplaatst in Voorjaar 2011 met de tags , , . Bookmark de permalink.

9 reacties op De dorpsfilosoof

  1. Janneke schreef:

    Nou Mark, dan mag je accent blijkbaar wat te wensen over hebben, ik vind het toch wel bijzonder dat je zo’n gesprek met hoog filosofisch gehalte voeren kan en naderhand nog zo kan weergeven . (Of had je het zo woordelijk op je opname- apparatuur staan?) In ieder geval een hele leuke ontmoeting die jou goed moet hebben gedaan en ons weer denkstof heeft opgeleverd. Bedankt!

  2. Janine schreef:

    prachtig verhaal voor het slapen gaan :)

  3. Christine schreef:

    wat is het toch steeds mooi om je verhalen te lezen, dank je wel!

  4. Philip schreef:

    Mark,

    Mooi verhaal!

    Philip

  5. Valérie schreef:

    Door jouw verhaal ontdek ik dat ‘s wereldswijd mensen zich toch dezelfde dingen afvragen. Levensvragen staan voor een groot deel los van tijd, plaats en cultuur. Gaaf!

  6. Tamarah schreef:

    Hey Mark,

    Wat een mooie, grappige, ontroerende en inspirerende verhalen kun je vertellen, zeg! Dit verhaal is ook zo’n voorbeeld. :-D

    Bedankt!

  7. Steven schreef:

    Hoi Mark,

    Je schrijft nog steeds prachtig. Elk stukje bevat niet alleen treffende impressies, maar ook diepere inzichten. Het lijkt ook wel of er meer wijsheid in dat kleine Ghanese dorp is dan tegenwoordig in ons land … . Overigens, ik denk ook dat alles zijn tegendeel heeft en dat beide aan elkaar hun betekenis ontlenen. Soms het slechte of negatieve aan het goede of positieve, soms ook andersom: je leert door fouten, je weet wat een regel of wet betekent, als je bedenkt wat het tegendeel zou zijn, je beseft wat gezondheid is, als je weet wat ziekte is, etc. Maar ik denk dat sommige tegendelen zo verstrengeld zijn dat de een groter is als ook de ander groter is, zoals bij liefde en de pijn van het verlies, terwijl bij andere de ene afneemt als de ander groeit, zoals bij recht en onrecht. Misschien een enigszins verlate reactie, maar ik kwam er pas gister achter dat je mail bij mij in de spam belandt! Groet en nog beste wensen, ook aan Gijske,

    Steven

  8. Henk Jan schreef:

    Hey Mark,

    wat een mooi stuk, kon het hele gesprek zo voor me zien en deed me daadwerkelijk denken aan de sfeer in de Gorgias (op even te name droppen :) maar ook wel aan andere gesprekken met wijze mensen. Knap dat je die sfeer zo hebt weten te vatten.

    we gaan beginnen met een nieuwe boekje bij LEV heb je nog voorkeuren? (neem aan de je de meeste nieuwtjes al van je vrouw hebt gehoord)

    maar echt een mooi stukje

    tjo

    HJ

  9. Henrita schreef:

    Lieve Mark,

    Wat leuk om je verhalen te lezen!! Je moet een boek gaan schrijven!! Topper!!
    Wens je heel veel goeds, een fijne ontmoeting op Schiphol met je lief en een goed vervolg!!

    Henrita

Reageren?

Je e-mail adres zal niet gepubliceerd worden Verplichte velden zijn gemarkeerd met een *