Tokyo

Ik voel me een tijdreiziger in Tokyo. Niet zozeer vanwege de jetlag waar mijn rooddoorlopen ogen me aan herinneren, maar omdat het leven hier veel verder voor lijkt te lopen dan de 8 uur die we kwijtgevlogen zijn. Zacht zoevende metro’s, afvalscheiding in vijf categorieën, hightech toiletten met brilverwarming en geurafzuiging,1 hipsters in designkleding, en overal een voor mij onleesbaar schrift waardoor ik ineens weet hoe het voelt om het laaggeletterd te zijn. Maar bovenal: een keuken die zo verfijnd is dat mijn smaakpapillen het nauwelijks bij kunnen benen. Spartelverse vis op een blaadje shiso met daarbij een bloemige pruimenwijn. De scherpe tik van wasabi na de zoutige smaaksensatie van rijst in zeewier. Kleine stenen kommetjes warme sake met een wiebelig zacht bonbonnetje van sojapudding gehuld in groen theepoeder.

Op zaterdagochtend spreek ik op de conferentie waar ik voor uitgenodigd ben. Op zaterdagavond neemt de professor ons mee uit eten. Op zondagmiddag gidsen mijn collegas Kimi en Noburo me rond in Kamakura, een oud tempelstadje aan de kust, en op dinsdagavond neemt Kimi me mee uit eten in Shibuya. (Toen hij in Nijmegen was is Kimi bij ons thuis te gast geweest, maar Japanners spreken altijd buitenshuis af.) Hij had eigenlijk een restaurant op het oog waar je fugu kunt eten, een schijnbaar overheerlijke vis waarin een hoogst giftige klier zit die alleen door koks met een licentie verwijderd kan worden, maar we kunnen het niet vinden dus we strijken ergens anders neer. Jammer, want ik had best fugu willen proberen. Maar het redelijke stemmetje in mij (dat de hele tijd al riep dat het zo jammer zou zijn om in een restaurant aan de andere kant van de wereld in elkaar te zakken alleen maar omwille van een culinair avontuur) is stiekem een klein beetje opgelucht. Er gaat zeer zelden iets mis met fugu, maar niet nooit. De haiku-dichter Bashō dichtte eens: Er is niets gebeurd / Gisteren is voorbijgegaan / Fugu soep.

Het visrestaurant waar we uiteindelijk neerstrijken is een goede keus: vanaf de 10e verdieping kijken we uit over Tokyo bij nacht. Als ons hoofgerecht opgediend wordt komen drie deftige maatpakmeneren met grijs haar binnen. Ze gaan aan het tafeltje naast ons zitten en we knikken beleefd. Terwijl ze door het menu bladeren converseren ze zachtjes met elkaar. Kimi en ik praten over ons onderzoek, over hoe het is om postdoc te zijn, en over zijn leven met de ziekte van Crohn. (Toen hij op mijn uitnodiging in Nijmegen was hebben Gijske en ik speciaal Japanse misobouillon met udon-noedels voor hem gemaakt omdat hij verder in Nederland alleen bagels durfde te eten.) Onderwijl hebben de heren naast ons wijn en sushi besteld en gaan ze steeds geanimeerder praten. Als ons nagerecht arriveert heeft de alcohol mijn buurman —een stevige vent met pareltjes zweet boven zijn wenkbrauwen— los genoeg gemaakt om me joviaal te vragen wat ik van Japan vind. Ik zeg naar waarheid dat ik overdonderd ben en vast van plan om terug te komen met mijn vrouw. Hij vind het prachtig dat ik getrouwd ben en vraagt naar mijn werk. De andere twee luisteren geïnteresseerd. Op zijn beurt vertelt mijn buurman dat ze hier gedrieën zijn voor een zakenoverleg. Hij en de man naast hem werken voor Nissan. De derde, een fijn gecoiffeerde, eerbiedwaardige man met onderzoekende ogen, is een overheidsfunctionaris. Hij stelt zich voor als Miyazaki. De eerste twee lopen over van verhalen over de Japanse industrie, het lot van Nissan (de naam is oorspronkelijk Nippon Sangyo, “Japanse Automobiel”) dat in handen van Renault gevallen is, en de rivaliteit tussen Amerika en Japan. Ze willen ook weten hoe het is in Nederland en hoe ik de Japanse keuken vind.

Blij met mijn antwoord daarop laten ze sake —traditionele rijstwijn— aanrukken en schenken mij ook in. (Kimi slaat af omdat hij geen alcohol drinkt, maar gebaart dat ik minstens één ronde mee moet doen. Delen in sake is een grote eer.) Ze vinden het reuze interessant dat we zo jong zijn en willen ook weten wat Kimi doet. Die is natuurlijk enorm bescheiden (zoals dat hoort), en ik leg de heren uit dat hij een prestigieuze tweejarige postdoc in Berkeley heeft afgerond en net teruggekeerd is naar Keio University. Kimi laat zichzelf haast onder tafel zakken bij die woorden (opnieuw zoals dat hoort — in Japan verlaag je jezelf als je een compliment krijgt). De heren feliciteren hem. Miyazaki vraagt mij of ik voor het eerst in Azië ben en zegt dat Japan een goede eerste keus is. “China is chaotisch,” zegt hij. “Japan is netjes.” Als ik zeg dat ik ook wel naar China wil roept hij “Maar natuurlijk, jullie zijn nog jong en avontuurlijk! Vooral doen, vooral doen!” Hij neemt een garnaal op met zijn eetstokjes en bestudeert hem aandachtig. “Voor mij geen China meer,” zegt hij. “Ik ben te oud. Ik wil de seizoenen van Japan meemaken: de voorjaarsbloesem en de zachte herfst, de warme zomers en de koele winters.” Hij glimlacht stil en eet de garnaal op. De stevige man veegt het zweet van zijn brauw en knikt.

Voor ons is het tijd om te gaan. Kimi staat erop om te betalen ondanks mijn protest. Terwijl ik mijn jas aantrek staat Miyazaki op en geeft me zijn visitekaartje. Hij vraagt naar mijn naam. “Dingemanse,” zeg ik. “Di-ŋe-ma-se,” herhaalt hij terwijl we handen schudden. “En uw collega…” “———”, zeg ik. “Aha, ———. Zeer aangenaam kennis te maken.” Ik verslap mijn greep maar hij houdt mijn hand vast en kijkt me aan. “Wanneer we de sake met u delen doen we dat niet omdat u zelf niets te drinken heeft, maar omdat het goed is om samen te zijn. Wanneer we u betrekken in ons gesprek doen we dat niet omdat u niets te bespreken heeft, maar omdat het goed is als mensen elkaar ontmoeten. Ik hoop dat we jullie niet al te zeer lastig gevallen hebben. We vonden het bijzonder om zulke jonge academici te ontmoeten. We hebben gedeeld in een waardevol samenzijn. Ik dank u.”

Ik haast me om te zeggen dat het genoegen geheel aan mijn kant is. Nóg laat hij mijn hand niet los. “Meneer Di-ŋe-ma-se, ik spreek niet veel talen, en ik weet nog minder van taalkunde. Jullie beiden zijn nog jong; de toekomst ligt open. Wat u ook doet,”—hij houdt mijn blik vast terwijl me opvalt hoe zacht en warm zijn handdruk is—”Wat u ook doet, ijver ervoor om bij te dragen aan de vrede en het geluk van de mensheid.” Ik weet niet zo goed wat ik hier op moet zeggen behalve “ja” met een lichte buiging. Met een kneepje en een glimlach die tientallen fijne rimpeltjes in zijn ooghoeken doet verschijnen laat hij mijn hand gaan. Kimi komt terug van het betalen en krijgt ook een visitekaartje. Wat raadselachtig zegt Miyazaki tegen hem dat hij er zorgvuldig mee om moet gaan.

We nemen de lift naar de begane grond. Eenmaal buiten verontschuldigt Kimi zich voor de opdringerigheid van de heren. “Integendeel,” werp ik tegen, “alleen al die ontmoeting maakt het helemaal goed dat we geen fugu gegeten hebben!” Ik vertel hem wat Miyazaki tegen me zei bij het afscheid. “That man knows something,” zegt hij. En dat beaam ik.

Naschrift. Twee weken nadat ik vertrok uit Tokyo werd Japan getroffen door één van de zwaarste rampen in de geschiedenis van het land. Met Kimi en mijn andere collega’s is het goed. Mijn gedachten gaan uit naar meneer Miyazaki en co., die op dit moment meer dan wie ook de vrede en harmonie nodig hebben die ze zo gul met mij deelden.

Foto’s

Noten

  1. overigens ook inclusief eufemistisch genaamde “shower for behind” — ik denk dat we dat in goed Nederlands kunnen vertalen als ‘gatschoonmaakstraal’ []
Dit bericht is geplaatst in Voorjaar 2011 met de tags , , , , . Bookmark de permalink.

6 reacties op Tokyo

  1. Jenneke schreef:

    Mark, ik ben ontroerd door je verhaal – de belevenis zelf en de manier waarop je het beschrijft. Wat een gave heb je, om open te ontmoeten!

  2. Arné schreef:

    Mark, echt schitterende verhalen!
    De stijl waarmee je schrijft is eveneens prachtig!
    Veel succes. We zien elkaar weer in Nederland over een aantal weken.

    Arne

  3. Valérie schreef:

    Welkom thuis Mark! Gijske heeft je ongetwijfeld met een warm welkom ontvangen.
    Bedankt voor je prachtige verhalen! Je maakt wel wat mee zeg!
    Tot snel

  4. Esther schreef:

    Hoi Mark,
    Wat een verhalen en een belevenissen allemaal weer.
    Bijzonder hoor hoe dingen soms geburen. Succes met terug aclimatiseren in Nijmegen en een goede thiskomst bij Gijske. Jullie zullen elkaar iig een hoop te vertllen hebben.
    Groetjes ook van Pieter en van Menthe
    Esther
    P.S: Dit was pas het tweede berichtje wat het redde tot mijn mailbox, de rest is in de spam terecht gekomen, geen idee waarom.

  5. Beatrijs schreef:

    Mark, echt genoten van je prachtige verhalen!! Wat kun je de sfeer waarin je je bevindt goed vangen in woorden, zodat ik als lezer echt in het verhaal zit. En dan weer zo’n mooie ontmoeting in Japan, dat stemde me wel een stuk optimistischer dan de boeken van Murakami, die hoe mooi ook, behoorlijk droevig/melancholisch van toon zijn.
    Welkom terug in Nijmegen, tot binnenkort weer ‘ns.

  6. Jan Dirk schreef:

    -ah, van Tokyo bereikte mijn gmail weer een berichtje, en zo ontdekte ik ook twee eerdere prachtige verhalen- Tof om te lezen! Zo door jouw ogen meekijkend lijkt het leven van een academicus nog best aantrekkelijk eigenlijk ;-). Leuk dat jullie binnenkort naar Wageningen komen, dan kunnen we meer horen.

Reageren?

Je e-mail adres zal niet gepubliceerd worden Verplichte velden zijn gemarkeerd met een *