Losse eindjes

Jasikan, ten noorden van Kawu. Ik ben er heengereisd gewoon omdat ik er nog nooit geweest ben. Het blijkt een slapend provinciestadje te zijn dat de geest van vóór 1957 ademt: een roundabout met bloemenperk als entree, verlopen koloniale panden, en vriendelijke mensen die niet opkijken van een verdwaalde blanke. Ik koop de Daily Graphic bij een kraampje waar ook loten verkocht worden. Nee dank u, ik hoef er geen lot bij. Als de verkoper aandringt dis ik een spreuk op die in mijn Leidse studentenhuis hing: “The lottery: tax for people who are bad at maths.” (De Lotto is een belasting opgelegd aan mensen die niet goed kunnen rekenen.) Hij denkt hier een moment over na en begint voluit te lachen. ‘Dat klopt!’ zegt hij. Een paar omstanders lachen mee, sommige wat schaapachtig. Eén bestudeert aandachtig de cijfers van zijn net gekochte lot.

In het lommerrijke plantsoen van de katholieke missie eet ik verse ananas en praat ik wat met de verkoopster. Ze blijkt uit het naburige Togo te komen maar zegt de lokale taal een beetje te spreken. Ik vraag haar me de middaggroet te leren. Altijd handig. Maar als ik opstap en even verderop mijn troef probeer uit te spelen heeft het niet het gewenste effect: mensen lachen wat en antwoorden in het Engels. Al snel blijkt dat het meisje me het woord voor ‘welkom’ heeft gegeven, zodat ik de goede mensen met een brede grijns welkom heb geheten in hun eigen woonplaats. Ik laat maar in het midden wat mijn beroep is. Ze leren me wel de correcte versie. Gewapend met de middaggroet en met het zinnetje ‘Oh, ik wandel gewoon wat rond’ vervolg ik mijn spaziergang. Nu werkt het wel, zozeer zelfs dat ik na drie zinnen steeds moet bekennen dat mijn kennis niet dieper gaat.

In het oosten boven de bergen komt een donkere lucht op. Tijd om te gaan. Ik kuier terug richting de markt, waar ik nog een brood koop om thuis te roosteren en met zelfgemaakte mangojam te eten. Terwijl de taxi zich langzaam vult biedt een vriendelijke man me een stoel aan in de beschutting van een montagewerkplaats met de dubbelzinnige naam “God’s Time Is The Best Fitting Shop”. Wat is nou het beste, God’s tijd of deze werkplaats? Het zal wel het eerste zijn. In Ghana is God’s tijd altijd de beste.

Twee dagen later zit ik slaperig in mijn vliegtuigstoel en zie ik de zon opkomen boven de Lage Landen. Als de daling ingezet wordt blijkt Nederland nog gehuld in de ochtenschemer. Zachte mist ligt als spinrag over het landschap. Autootjes zoeken zich een weg over wegen die als lichtslangen door het weidse land kronkelen. Ik adem diep in, kan de koude lucht haast al voelen. Met een lichte bonk landen we. Tien minuten later loop ik licht euforisch rond in de glanzende gangen van Schiphol terwijl warm aangeklede reizigers naar mijn slippers staren. Weer thuis in een wereld waar alles schoon en synchroon is. Nog maar een paar uur voordat ik bij Gijske ben. Maar eerst koffie.

“Laartsj or smol?” vraagt de blonde kassiere van de koffiebar aan de mevrouw voor me. Ze herhaalt het geduldig een paar keer voordat de klant — die met gedistingueerd Brits accent “One coffee please” besteld heeft — het snapt. Het meisje achter de koffiemachine maakt een laartsj. Ik bestel een espresso. “Een kleine of een dubbele, meneer?” Ik neem dubbel. “Een dúbbele esprésso, Jolààan” roept ze met een zangerig accent. “Gaat ik voor je maken Fried’,” zegt Jolanda. Ik grijns breed. Ah, Holland.

Geplaatst in Voorjaar 2009 | Getagged , , , , , | Één reactie

De Profetes en de Jujuman

I. De Profetes en de Jujuman

Het is al laat in de middag als ik op huis aan ga. Ruben Owiafe loop een stukje met me op. Voor ik het weet heeft hij me naar een omsloten erf geleid waar een groepje mensen onder een boom zit. ‘The lady is here,’ zegt hij. Een vrouw is luid voor iemand aan het bidden. De man die onderwerp is van haar gebed heeft zijn ogen gesloten met een ernstige frons. Een jonge vrouw zit met een mobieltje te spelen en wisselt enkele woorden met een man die naast haar zit. Er is iets met die man zijn gezicht, denk ik. En dan: die jonge vrouw moet de Profetes zijn.

De Profetes. Ze is eenvoudig gekleed en ziet er niet heel bijzonder uit. Toch schijnt ze veel invloed in het dorp te hebben. Ik krijg een stoel aangewezen en wacht tot de andere vrouw haar gebed beeindigt zodat ik iedereen in het Siwu kan begroeten. De aanwezige Mawu groeten me terug, de Profetes knikt minzaam. De man met het vreemde gezicht staat op om me een hand te geven en vraagt me mijn naam. Ik stel me voor en leg uit wat ik hier in Mempeasem doe. Hij stelt zichzelf voor als een pastor uit het noorden. Wat zijn dit nu voor mensen, vraag ik me af. Over de Profetes heb ik vreemde verhalen gehoord. Het schijnt dat ze vurige gebedsnachten organiseert. Ze komt uit een stadje aan de andere kant van de bergen en heeft een neus voor hekserij; en ze geneest mensen, vooral op afstand. Tijdens gebedsnachten wordt er natuurlijk ook geld ingezameld voor het goede doel. Afgelopen week was de collecte bestemd voor een nieuwe mobiele telefoon. Ruben vertelde me —in alle ernst— dat ze daarmee nu ook telefonisch voorbede kan doen. Haar diensten zijn nu dus zelfs beschikbaar voor Ghanezen in het buitenland. Is het niet geweldig? Ik frons onwillekeurig terwijl ongelovige gedachten over privé- versus zakelijk gebruik in me opkomen.

“Praise God halleluja!” Dat zei de Jujuman in het drinklokaal terwijl hij met een klap zijn glas op tafel zette. We waren de bar in gevlucht tijdens een plotselinge stortregen. Hij gaf een rondje akpeteshie (de lokale jenever); ik was de enige die afsloeg. De Jujuman is iemand naar wie mensen toegaan voor hulp in de onzichtbare wereld. Hij weet van kruiden en kan de ingewanden van een ram lezen. Hij is een Noorderling met een pikdonkere huid en een eigenaardige schittering in zijn ogen. Het verhaal gaat dat hij met een kapmes op zijn arm in kan hakken en nochtans ongeschonden blijft. Ik zou dat graag verifieren met mijn eigen (vlijmscherpe) kapmes maar iets zegt me dat dat niet gaat lukken. Hoe dan ook, de man geniet macht en aanzien in het dorp.

Tijdens die regenbui in het drinklokaal vind ik de gelegenheid om de Profetes ter sprake te brengen. Ik ben natuurlijk benieuwd hoe de Jujuman —verpersoonlijking van het duister in de christelijke ontologie— zich tot haar verhoudt. Ik peil eerst even: weten ze wie ik bedoel? Jazeker, de Profetes die bij de queen mother ingetrokken is. ‘Is die vrouw een echte profetes?’ vraag ik. De mannen schokschouderen. Dat ligt eraan. Hoe moet je dat weten? Dat is maar net hoe je het bekijkt. Ik vraag me af of ze zich misschien inhouden vanwege de Jujuman en kijk naar hem. Hij lijkt ongeïnteresseerd en mengt zich niet in het gesprek. Dan begint iemand over iets anders. Het begint me te dagen dat ik op zoek ben naar een contrast dat er niet is. Dit is geen kwestie van licht versus duister, of God versus Satan. De Profetes en de Jujuman zijn gewoon allebei dealers in bovennatuurlijkheden, en zolang er in dit dorp plaats is voor beiden hebben ze geen reden om elkaar in de weg te lopen.

II. Entropie en sociaal kapitaal

Wat mij intrigeert is de manier waarop deze dealers in bovennatuurlijkheden zich in het weefsel van een afgelegen bergdorpje kunnen nestelen. In mijn analyse zijn er twee sleutelfactoren. De eerste is sociale entropie. De tweede is sociaal kapitaal. Laat ik beginnen met de eerste. Entropie is, ruwweg, de mate van chaos in een systeem. Gemeenschappen kunnen een hechte eenheid vormen (stabiel systeem, lage entropie), of ze kunnen gekliefd worden door conflicten (instabiel systeem, hoge entropie). Voor Mempeasem geldt het laatste. Wat precies de wortel van het probleem is weet ik niet, maar het is een feit dat Mempeasem lijdt onder een gebrek aan eenheid. Men kan het niet eens worden over de opvolging van de chief; sommige clans mijden elkaar systematisch, waardoor dorpsvergaderingen worden gefrustreerd; plannen om de weg te asfalteren of de watervoorziening te vernieuwen lopen stuk op gebrek aan eenheid; enzovoort (dit verzin ik niet zelf; de mensen in het dorp zijn zich bewust van het probleem maar het is heel moeilijk op te lossen). De sociale entropie van Mempeasem is dus een stuk hoger dan bijvoorbeeld die van het strak georganiseerde buurdorp Odomi. Wat heeft dit alles te maken met onze geestelijke marskramers? Simpel: ze gedijen het best waar chaos en conflict is — want daar zijn hun diensten het meest nodig.

Dan de tweede factor. Sociaal kapitaal wordt doorgaans opgebouwd in een systeem van dienst en wederdienst. Maar er zijn manieren om het proces naar je hand te zetten, en dat is waar de Profetes en de Jujuman goed in zijn. Het werkt bijvoorbeeld in je voordeel als je controle over een schaars goed uitoefent; en macht in de onzichtbare wereld is zo’n schaars goed. De Jujuman trekt het systeem verder scheef door mensen angst aan te jagen met hekserij en ze tegelijk te vriend te houden (bijvoorbeeld door rondjes te geven in het drinklokaal). De Profetes geeft geen rondjes, maar zij heeft zo haar eigen methoden. Ze verzamelt een kring van bevoorrechten om zich heen die haar mogen helpen. Speciale voorbede verleent hen bescherming. Onder christenen helpt het natuurlijk ook als je vurig bent en inspeelt op de gevoelens van onvolkomenheid die elke kerkganger heeft. Intense gebedsnachten en profetieën passen mooi in dat plaatje. Daarnaast is het belangrijk dat zowel de Jujuman als de Profetes van buiten de gemeenschap komen. In deze gastvrije samenleving betekent een status als gast een voorsprong in sociaal kapitaal; bovendien is daarmee het verleden in mysterie gehuld en is er geen kans op openstaande schulden of demystificatie.

III. Een vreemde lus

Terug naar de compound met de Profetes en haar compagnon. Hij staat nog steeds naast me met zijn scheve gezicht. ‘Dus je bent een wetenschapper?’ vraagt hij. Ik bevestig dat. Na een tijdje nadenken zegt hij, ‘Veel wetenschappers geloven niet, klopt dat?’ Ik bevestig dat, maar voeg eraan toe dat er ook wel wetenschappers zijn die het niet weten, of die wel geloven. Aha, sommigen geloven dus wel. ‘Dus over het algemeen bestaat God?’, concludeert hij. Dat vind ik wel een interessante manier om het te stellen. God heeft een onzeker bestaan in het wetenschappelijke wereldbeeld, maar daarbuiten —dat is, voor de meerderheid van de mensheid— bestaat hij. De man kan hier prima mee leven en grijnst scheef, om dan plotseling te vragen: ‘Heb je gebed nodig?’

Gebed? De vraag overvalt me een beetje. Ik dacht dat ik alleen maar kwam polsen hoe het zat met die nieuwe Profetes. En nu is de vraag of ik gebed nodig heb. Ik denk eigenlijk van niet, maar dat klinkt zo onvriendelijk, dus ik zeg ‘Misschien’. Hij lacht breed en zegt: ‘Achter een misschien schuilt altijd een ja of een nee. Of niet soms?’ Ik knik aarzelend. ‘Je doet belangrijk werk. Laat ons voor je bidden zodat je verblijf hier nuttig en effectief zal zijn.’ Daar kan ik natuurlijk geen nee op zeggen. En dus spreekt de man een gebed uit. Tussen mijn oogharen door kijk ik naar de Profetes. Ze heeft haar ogen gesloten, haar handen om haar mobieltje heen gevouwen. Het gebed van de man is vurig en gemeend. Ik zie nu dat zijn ogen niet op dezelfde hoogte zitten, wat zijn gezicht een ernstige grilligheid verleent. Zijn ernst raakt me en ik ben hem dankbaar voor zijn compassie.

Klik. Er heeft nu een kleine uitwisseling van sociaal kapitaal plaatsgevonden. Een knipoog van het systeem dat ik probeer te analyseren. Een luid ‘amen’ weerklinkt; ik knipper met mijn ogen en de mensen in de kring lachen me toe. Ik geef de goede man een hand, klop Ruben op de schouder, en begeef me naar huis. Daar vind ik mijn assistent Odime en Kofi, die net het eten klaarheeft. Ik deel mijn eten met Odime. Zwijgend genieten we samen de maaltijd, hij dankbaar en ik lichtelijk verward.

Geplaatst in Voorjaar 2009 | Getagged , , , , | Één reactie

Dasein

Elke keer als ik terugkom in Kawu warm ik mijn hart aan de levenslust en schrik ik van de dodenlijst. Ebenezer F., een vrolijke man die me geholpen heeft met veel van mijn experimenten, werd in januari hardhandig in elkaar geslagen terwijl hij een partij hardhout die niet van hem was aan het verplaatsen was in de bush. Drie weken later overleed hij aan zijn verwondingen. Hoewel iedereen weet dat de daders uit Odomi komen is de politie niet ingeschakeld; Ebenezer leefde geïsoleerd en niemand van de familie had geld om er achteraan te gaan. Bovendien hield hij wel van een glaasje en leefde hij niet al te koosjer. He had it coming. Verschillende anderen zijn overleden, waaronder de oude Binga, de lieve, dementerende man die vorig jaar zo blij was met zijn foto. Hij leeft voort in onze herinneringen, en in een paar van mijn opnames waar hij flarden van liedjes meeneuriet en tevreden gromt bij verhalen die hij herkent uit zijn jeugd.

Rond zes uur word ik wakker met het geruststellend geluid van de buurvrouw die haar erf bezemt. Terwijl ik kruidenthee drink op de veranda en de doden overpeins besluit ik dat er iets is aan het leven in Kawu dat fundamenteel goed is. Het leven draagt hier geen masker. Leed en geluk liggen dicht aan de oppervlakte. Ze zijn onlosmakelijk verbonden en worden met rechte rug tegemoet getreden. Misschien is het daarom dat het leven in Kawu me zoveel contrastvoller en kleurrijker toeschijnt. In het Westen wordt het leed weggemoffeld in een hoekje van de samenleving waarvan we liever wegkijken; en in het geluk wordt voorzien door verstrooiing en vermaak voor de massa’s. Vergeleken daarmee is Kawu de rauwe werkelijkheid die de zintuigen binnenstroomt en overrompelt. Ik wilde schrijven: het is de werkelijkheid in stereo en full-colour. Maar die beeldspraak verwisselt werkelijkheid met surrogaat.

De scherpe geur van fermenterende cacaobonen hangt over ons erf. Als ik de poort uitstap word ik omstuwd door de warme wind. De zinken daken blikkeren in de zon, in de verte hoor ik het gekwetter van kinderen die water halen. Dit is Kawu. Ik loop het dorp in om wat mangos te kopen. Voor Joe’s erf zitten zoals altijd wat mensen. Omdat ik een beetje mank loop trek ik hun aandacht. Ik zeg dat ik een pees verrekt heb, maar dat het al beter gaat. Gelukkig, zeggen ze hartelijk. Maar bij een enkeling proef ik meewarigheid met de blanke uit de surrogaatwereld die een pijntje heeft. In gedachten haal ik mijn schouders op. Ik kan er ook niets aan doen als ze dat over me denken. Bovendien is het waar dat ik hier op mijn eigen voorwaarden kom. Ik ben tot de tanden toe bewapend met pillen, smeersels, en inentingen. Voor mensen hier die me niet goed kennen zal ik toch een blanke uit de vitrinekast blijven. Iemand die er is en er toch niet echt is.

Later die dag, terwijl ik met Odime zit te werken, brengt een meisje een pannetje langs met zoete yam, een locale delicatesse. Ze heeft er een boodschap bij van Ella: “We zijn nu naar het land, maar we hopen je vanavond of morgen te zien.” We peuzelen de yam samen op en zijn het erover eens dat Ella heel lief is. Als ik Ruben en Ella de volgende dag opzoek rent Ella op me af en sluit me in haar armen. Ik schuif aan op het houten bankje. Ieders ogen schitteren, maar we zwijgen tot ik mijn glas koud water leeggedronken heb. Zo hoort dat. Ik bedank Ella voor de yam en geef haar een kadootje uit Nederland; stenen klompjes en een dienblad met oudhollandse taferelen. Ze pakt het uit, bewondert het uitvoerig, en houdt het dicht bij haar hart. Dan doet ze het bubbeltjesplastic er weer voorzichtig omheen alsof het er bij hoort. Ze vraagt naar Gijske en knikt trots als ik vertel dat het goed gaat op de universiteit. Ruben informeert of zijn verklaringen van ideofonen nog bruikbaar waren. Ik zeg dat ze erg in de smaak vallen bij collega’s. Wat ik er niet bij vertel is dat ik vorig jaar zoveel opnames met hem maakte in de wetenschap dat hij er dit jaar niet meer zou kunnen zijn. Ebenezer en de oude Binga gingen hem voor.

Ik leg mijn benen op tafel net als Ruben en eet mee van de avocado die rondgaat. We praten bij over de gebeurtenissen in het dorp terwijl het buurmeisje me nog een glas koud water geeft. We halen herinneringen op aan de oude Binga en zijn verhalen. Ella roostert pinda’s voor ons boven het vuur. Ze legt haar hand op mijn arm en zegt, “daar hou jij toch zo van?” En zo hervind ik mijn plek in Kawu.

Geplaatst in Voorjaar 2009 | Getagged , , , , | Één reactie

50 pesewas to learn a language!

Op Kotoka International Airport word ik opgewacht door een chauffeur met het bordje “Bingemans”. Hij neemt mijn koffer over en loodst me behendig door het woud van opdringerige sjouwers. Bij het hotel betaal ik met cash voor één nacht en word ik mijn kamer gewezen door een vriendelijke jongeman, die voor mij het licht, de airco, en de TV aanzet. CNN. Vanwege mijn late reservering heb ik de executive suite gekregen. Vandaar de airco. De jongen legt me uit dat ik ook van kanaal kan veranderen. ‘Met het knopje op de TV?’, vraag ik onnozel, waarop hij zegt dat ik eventueel ook de afstandsbediening kan gebruiken als ik dat wil. Voor hij me alleen laat licht hij zelfs nog even de telefoon van de haak om de kiestoon te horen. Of misschien is dat gewoon om mij de gelegenheid te geven mijn fooi te pakken.

De volgende morgen begeef ik me al vroeg in de kakofonie van het busstation. Dragers rukken me mijn koffers uit handen en beginnen ze in te laden terwijl de chauffeur me probeert over te halen om een extra passagiersstoel te kopen voor mijn bagage. Mijn Ewe is een beetje weggezakt dus ik kom niet helemaal geloofwaardig over als ik zeg dat ik wel weet dat het voor minder kan. Het zij zo, ik glimlach vriendelijk en betaal niet meer. Gelukkig mogen mijn koffers toch mee. Bij het kopen van mijn kaartje valt het me op dat de man die me helpt met links schrijft. Dat zie je niet vaak hier. Ik sta op het punt om te zeggen dat ik ook linkshandig ben als ik zie dat hij maar één arm heeft. Oeps. Beter van niet.

Terwijl we wachten tot het busje zich vult raak ik aan de praat met mijn buurman. Hij vraagt zich af of wij in Nederland ook onze eigen taal hebben. Ja, zeg ik, wij leren Engels op school maar thuis praten we Nederlands. Precies hetzelfde als Ghana dus, concludeert hij. Weet ik trouwens dat ze in Duitsland ook Ewe spreken? (Hij verwart een tiental missionarissen met de gehele bevolking, maar ik vind het een te schattig idee om hem te onderbreken.) En dat de Ewe bijbel door Duitsers geschreven is? Daarom zijn de meeste namen in de Bijbel geen gewone Ewe-namen maar Duitse namen, legt hij uit. Logisch eigenlijk. Als de bijbel door de Ewe geschreven was waren het wel Ewe-namen zoals Kofi, Yawo, Afua enz geweest. Ik vraag me af of de gebeurtenissen dan ook plaatsgevonden zouden hebben in Eweland, maar de gedachtegang wordt onderbroken door een straatverkoper die zijn waar onder onze neus houdt. Mijn buurman koopt een boekje met liedteksten van Bob Marley (‘a great prophet’, zegt hij). Hij bladert wat door “Easy Learning French through English” en gromt dat hij er geen geld voor over heeft. ’50 pesewas to learn a language!’ roept de verkoper uit. Dat is inderdaad geen geld. Mijn buurman koopt het boekje.

Het is al tegen het einde van de middag als mijn taxi de hobbelige weg naar Mempeasem opkruipt. Ik word gesignaleerd door wat kinderen, die in koor ‘Mr Mark! Mr Mark!’ roepen. Langs de weg houden mensen stil om me te begroeten. De poort van de compound zwaait open en daar staat Kofi, rotsvast en goedig als altijd, met een brede grijns op zijn gezicht. We omarmen elkaar. De veranda, het perkje met de moeizame planten, de vuurplaats van Oma Afua; alles is nog hetzelfde. Maar waar is iedereen? Spoedig hoor ik dat mijn gastheer terug naar de US is, dat oma Afua in Accra verblijft, en dat Dodzi is overgeplaatst naar familie in Adokor, een dorpje aan de andere kant van de bergen 8 km hiervandaan. Ik neem me voor hem daar binnenkort eens op te zoeken. Maar eerst even bekomen van de reis. Ik grijns als ik terugdenk aan mijn buurman in de bus. Toen we gestopt werden voor een controle ging hij uit het raam hangen om een uitgebreiden lofzang ten beste te geven op de politieman. ‘This is the nicest officer. This officer is veeeeeery nice and friendly. Always friendly and helpful, this officer. Full of justice, full of power, this one is the best!’ En het hielp. Zestien paar ogen in de bus waren gericht op deze beste agent van het korps. Wat kon hij anders doen dan ons meteen door laten rijden? Vriendelijkheid overwint alles.

Geplaatst in Voorjaar 2009 | Getagged , , | Één reactie

Op Schiphol

Over een paar uur kom ik weer aan in Ghana. Ik laat een aarzelende lentezon achter voor heijige tropenluchten en de geur van houtvuren. Eind april ben ik alweer terug – de kortste veldwerktrip tot nu toe. En waarschijnlijk de laatste.

Had ik al eens verteld over het raadsel waarmee ik mijn eerste veldwerkperiode in 2007 afsloot? Tijdens het dorpsfeest ter ere van ons vertrek (Gijske was er toen ook bij) moest ik natuurlijk een afscheidwoord spreken, liefst in het Siwu. De verwachtingen waren hoog: zou Mr. Mark inderdaad onze taal geleerd hebben, zoals hij zei dat hij kwam doen?

Wetend dat niemand zat te wachten op minutenlang gestamel van mijn kant, bedacht ik een list. Ik besloot aan te sluiten bij een inheems genre dat ik een beetje onder de knie had: het raadsel.

Midzoloo! (“Raadsel!” )
(Nu moeten jullie roepen: Abao! “Kom maar op!” )

Het raadsel ging zo: “Er is een plek…
als je er bent geweest wil je er nooit meer weg”

Omdat veel raadsels zo beginnen (“Er is een plek…” ) viel het niet op dat ik het zelf gemaakt had. Iedereen mompelde het zachtjes voor zich uit, op zoek naar een antwoord. Een oude vrouw stak haar hand op. ‘Het dodenrijk?’ Nee. Een ander: ‘De hemel?’ Ook niet. Het bleef even stil, tot mensen begonnen te roepen dat ik het antwoord moest geven. Ik spreidde mijn armen uit alsof ik ze allemaal omarmde en riep: “Kawu!” Een luid gejuich ging op.

Dat gejuich was natuurlijk vooral voor henzelf. Kawu is een geweldige plek om te zijn, en de Mawu zijn de vriendelijkste en meest gracieuze mensen die ik ooit heb ontmoet. Daarom ga ik graag weer terug — in de wetenschap dat ik in goede handen ben. Ik houd jullie op de hoogte!

Geplaatst in Voorjaar 2009 | Één reactie

Dodzi

Twee dagen voor mijn vertrek ben ik druk aan het pakken. Dodzi hangt rond op de veranda in een versleten shirt dat hij al de hele week aanheeft. Ik probeer goedmoedig zijn scherpe lichaamsgeur te negeren. Dodzi heeft nog steeds regelmatig epilepsie-aanvallen en hij is het afgelopen jaar niet naar school geweest omdat hij inmiddels te ver achterloopt op de andere kinderen. Vorige week nog heb ik het buurmeisje dat hem wegjoeg uit proberen te leggen dat epilepsie niet besmettelijk is, ook niet tijdens een aanval. ‘Maar hij is stom,’ zegt ze. Ja wat zou jij zijn als je door iedereen in het dorp gepest en weggejaagd wordt? Zo had ze het nog niet bekeken, maar toch geloofde ze niet dat het zinvol kon zijn om hem vriendelijk te bejegenen.

Ik geef Dodzi een paar mandarijnen. Hij glimlacht breed en pelt ze aandachtig terwijl ik in de kamer doorga met pakken. Een paar minuten later hoor ik hem vaag iets vocaliseren. ‘Wat zei je?’, roep ik. Dodzi schraapt zijn keel en zegt in zijn slome, aarzelende dictie, “Ik denk mmm… dat je … van me houdt…”. Ik zeg “hm-hm?”. Na een moment stilte gaat hij verder. “Gister … zat ik bij de vuurplaats … en toen kwam je … mmm… zomaar pindas brengen. Dus mmm ik zei bij mezelf … dankjewel. En nu geef je me weer… mandarijnen.”

Wacht even. Ik stop met pakken en knipper met mijn ogen. Meestal zegt Dodzi helemaal niets uit zichzelf, en als hij al wat zegt is het in flarden van twee woorden. Ik heb hem nog nooit zoals nu een hele gedachtengang uit horen drukken. Z’n Siwu is sloom, maar grammaticaal perfect in orde. Plotseling realiseer ik me: hij laat zich gewoon nooit uit de tent lokken, daarom denkt iedereen dat hij gek is en dat hij niet kan praten. Volwassenen jagen hem weg als een gevaarlijke gek, kinderen drijven de spot met zijn gestamel en imiteren zijn schokkerige manier van lopen. Voor Dodzi is er geen reden om te praten. Ik hm-hm nog een keer en luister verder.

“Dus daarom denk ik … dat jij … van me houdt,” concludeert hij. Een correcte redenering. Maar hij is nog niet klaar. “Er is niemand hier … ik heb niemand … die zo van me houdt.” De pijn schiet door mijn hart als ik bedenk dat dat waarschijnlijk waar is. Voor zijn verzorgers is hij een blok aan het been vanwege zijn epilepsie. Zijn moeder is overleden en de vader werkt in Accra. Een paar weken geleden zag ik hem plotseling in zijn netste bloes en met een oude rugtas de deur uitgaan; met moeite kreeg ik uit hem dat zijn vader was gekomen en dat die hem mee zou nemen naar Accra. Een uurtje later kwam hij bedremmeld terugsjokken. Zijn vader was er vandoor, had alleen een Chinees speelgoedpianootje voor hem achtergelaten. Een stuk plastic met vijf ingebouwde melodietjes.

Ik hm-hm nogmaals en kijk hem aan. Hij kijkt weg, is even stil. Dan formuleert hij bedachtzaam het laatste deel van zijn redenering. “Dus ik denk dat… we van elkaar houden … en… dat we van elkaar moeten blijven houden.” Mijn hart loopt over, en de taalkundige in mij kan het niet laten in een flits de gave combinatie van subjunctieve vorm en reflexief voornaamwoord te bewonderen waarmee hij deze complexe gedachte uitdrukt. Ach, Dodzi! Lieve, slome, droeve Dodzi! Ik klop hem op de schouder; zeg dat ik blij ben met wat hij zegt; en dat ik van hem hou. Ik kan alleen maar hopen dat iemand hem een beetje liefde toont in de komende maanden, als ik weer weg ben. Dodzi, Kawu, ik zal je missen. Volgend jaar kom ik weerom!

Geplaatst in Zomer 2008 | Getagged , | Één reactie

De derde vallei

We houden een moment stil om te rusten en wat water te drinken. De warmte ligt als een zware sluier over het woud, de stilte alleen doorbroken door wat geritsel om ons heen en kreten van vogels dichtbij en veraf. Het zonlicht speelt door het bladerdak hoog boven ons. Odime wijst op een voorzichtig ontluikende roze knop in de grond naast het smalle bospaadje. ‘Siwewe,’ zegt hij. Ik knik en buig me voorover om het kruid met wortel en al uit te graven. Men zegt dat het helpt tegen hoofdpijn en duizeligheid.

Ons reisdoel, Iprimiwo Ame (letterlijk ‘In de Krater’ ), is de vallei achter de tweede bergrug; de derde vallei dus als je de vallei waarin Mempeasem ligt meetelt. Het is een stuk voorbij de plek waar in 2007 de rondwarende geest van de dode jager werd gepacificeerd (zie het bericht ‘Oerwoud’ ). Het hele gebied, tot nog een tiental kilometers verder westwaarts, hoort allemaal bij Kawu. Hier komen alleen jagers; er zijn dus ook geen wegen, alleen maar bush tracks die soms nauwelijks zichtbaar zijn (voor mij) in de dichte begroeiing.

Na dik drie uur marcheren komen we aan op de top van de tweede bergkam. Voor even houdt het oerwoud abrupt op; hier is alleen maar harde rotsgrond en stilte, bewoond door zonnebadende kameleons die schichtig wegschieten bij ons verschijnen. De zon, eerder steeds getemperd door het dichte bladerdak, slaat in volle hevigheid op ons neer. Het zweet parelt op de donkere huid van mijn voorganger en de warmte is tastbaar geworden, alsof de dichtheid van de lucht plotseling gestegen is. Ik overzie de vallei die voor ons ligt. Onder ons strekt het woud zich loom uit tot diep in de vallei; de overkant ziet er paradijselijk uit. Groene vegetatielijnen en een zachte geruis verraden bergbeekjes en watervallen. Daar zullen we helaas niet heen kunnen — te ver voor vandaag. Bij de gevaarlijk steile afdaling wordt duidelijk waar de naam ‘In de Krater’ vandaan komt. Het stemt me niet helemaal gerust dat we deze helling ook weer helemaal moeten bestijgen, maar mijn gidsen staan erop dat we doorgaan. Na een moeizaam halfuur en een laatste mars door het woud op de valleibodem naar de rivier wordt duidelijk waarom.

Twee enorme bamboebossen vormen een soort natuurlijke toegangspoort tot een zonovergoten open plek aan de rivier. In het midden een eenvoudige hut gemaakt van bamboestaken met een bladerdak. Alles is aanwezig: een vuurplaats met brandhout, een paar banken, gietijzeren pannen, een bed. Een uitgeholde boomstronk dient als mortier om fufu te stampen. Aan een tak hangt een handgemaakte vissenval. Het water in de snelstromende rivier is helder en drinkbaar. Vlinders dartelen rond bij de hut. Over een plank hangen wat kleren en onder het bed ligt een paar laarzen. Dit is het onderkomen van een jager. Het as in de vuurplaats is al een paar dagen oud, dus hij is niet in de buurt.

Wat een plek! Stel je voor: je hebt dit als uitvalsbasis. ‘s Nachts verschans je je in de struiken met je geweer en wacht je tot een wild zwijn of een antilope je pad kruist (genoeg sporen en uitwerpselen van wild in de nabije omgeving). De vangst is al snel te veel om mee te nemen, dus het kan geen kwaad om één antilope alvast te roosteren en een deel van het vlees te verorberen. Wilde vruchten en kruiden te over voor een excellente maaltijd. De rivier is verder een bron van vis en eetbare zoetwaterkrabben. Ik kan me plotseling voorstellen waarom jagers soms een paar dagen verdwenen zijn. Wij moeten helaas weer terug; we hebben nog drieenhalf uur marcheren voor de boeg. Maar niet voordat we wat gegeten hebben. Odime maakt een vuurtje om bananen op te roosteren. Ik doe mijn schoenen uit, baad mijn vermoeide voeten in het koele water en sabbel op een wilde limoen. Dit is taalkundig veldwerk op z’n best.

Geplaatst in Zomer 2008 | Getagged , , , | Één reactie

Plons

Etenstijd. Reffie, zoals ik de Reverend voor mezelf noem, wordt opgehouden door twee praatgrage gasten dus ik begeef me vast naar de keukentafel, waar ons maal staat te wachten, een bord fufu en een pannetje soep voor elk. Ik licht het deksel van mijn pannetje: soep met een flinke vis erin. Lekker! Bij het overgieten in mijn bord zie ik dat onderin de pan nog wat anders ronddrijft. Een andere vissoort — die van gister om precies te zijn, met gelig vlees van een vreemde korrelige substantie en een gronderige smaak. Laten liggen is onbeleefd natuurlijk. Mijn oog valt op Reffie’s pannetje. Ik luister even of hij er niet aankomt; nee, hij zit nog steeds te praten op de veranda. Voorzichtig licht ik het deksel van zijn pannetje op en laat de vismassa erin glijden. Plons. Ik kijk om; de kust is veilig; nogmaals plons. Ik vraag me af waarom ik dit niet vaker doe, maar dat is natuurlijk omdat we meestal tegelijk aan tafel gaan.

De andere vis is heerlijk en de fufu is ook prima. Van fufu kun je niet zeggen dat het heerlijk is, want je proeft het niet. Het is een zachte, gladde deegmassa waarvan je een stukje afknijpt dat je in de soep doopt en zo in je keel laat glijden. Eigenlijk een heel handige manier van je maag vullen; je verspilt geen tijd met het binnenkrijgen van de zetmeelrijke basisvoeding en je kunt rustig van de vis en de soep genieten. Vis en fufu is mijn favoriete combinatie, niet in de laatste plaats omdat kippevlees, de andere optie, in mijn ervaring nogal stoelgangontregelend is. (Toen ik Kofi dat laatst vertelde zei hij tot mijn verbazing dat hij er ook last van had. En toch was hij het vlees in onze gerechten blijven verwerken! Vanaf toen geen kip meer op tafel gezien gelukkig.)

Als ik net klaar ben, pannetje mooi leeg, komt Reffie binnen. ‘Dat was heerlijk’, zeg ik spontaan. Hij hm-hmt. Met twee mandarijnen als toetje verlaat ik de keuken. Mandarijnen zijn hier donkergroen als ze rijp zijn, en zeer smaakvol. Halverwege het schillen moet ik altijd even stoppen om de combinatie van de groene schil en de oranje partjes te bewonderen. Daarbij vergeleken zijn de knaloranje supermarktmandarijnen in Holland nogal inspiratieloos. De geur is echter van dezelfde watertandende frisheid. Ze doet me denken aan de bezoeken aan oma in Middelburg, die ons altijd mandarijntjes gaf voor de terugreis. Hmmm!

Geplaatst in Zomer 2008 | Getagged | Een reactie plaatsen

Bindingen

Convention! Convention!! Convention!!! Met recursieve typografie wordt een internationale conventie van de Christian Assembly Church aangeprezen. Het gebeuren vindt plaats in ons dorp, of all places. De school direct naast ons erf is omgetoverd in een enorme camping en alle kamers en lege huizen in het dorp zijn bezet. Goedgemutst en gastvrij staan de mensen van Mempeasem toe dat hun rustige dorp voor zeven dagen wordt overspoeld met kleurrijk geklede kerkgangers. Op het voetbalveld naast de kerk zijn festivaltenten opgezet, een liveband zet de diensten ‘s avonds luister bij en de jeugd van Mempeasem maakt van de gelegenheid gebruik om de nieuwste dance moves te leren.

Met Odime struin ik ‘s middags door het dorp op zoek naar mensen die mee kunnen doen aan een paar experimenten. Komla, mijn ‘senior teacher’, is helaas niet thuis, maar een stuk verderop zien we hem langs de kant van de weg aan de praat met twee beleefde conventiebezoekers. Als hij ons in het oog krijgt groet hij ons joviaal; de vreemdelingen maken dankbaar van de gelegenheid gebruik om zich uit de voeten te maken. Omstandig legt hij ons uit dat hij vanochtend op het land door de regen overvallen werd. Tot op het bot doorweekt thuisgekomen was het eerste medicijn dat hij nodig had natuurlijk een stevige borrel. En nu hij ons tegenkomt —hij grijpt onze handen vast— is het helemaal reden voor feest. Ik kijk naar Odime, die zijn hoofd schuin houdt en met zijn ogen rolt. Let’s go. Hij heeft gelijk: geen experimenten vandaag.

We maken ons los uit Komla’s omhelzing en bezoeken nog wat andere mensen. Onderweg komen we langs een prachtige sinaasappelboom vol vruchten. Aan één van de takken is een rood lint geknoopt; aan de stam hangt een fles met een donkerbruin goedje. ‘Juju’, zegt Odime. Wie van deze boom steelt krijgt een ongenadige portie hekserij op de hals. Wat de straf precies is, is bepaald door de opdrachtgever die het goedje heeft laten brouwen. ‘Of geloof je dat niet?’ plaagt Odime me — hij weet wat ik altijd tegen hem zeg over dit soort dingen. Tja. Ik was niet van plan een sinaasappel te stelen dus het proefondervindelijk bewijs moet uitblijven.

Later betreedt een ‘big man’ ons erf. Ik ken zijn gezicht al van de posters die overal in Hohoe en de verdere omgeving zijn opgehangen. Apostel Gadrekpo, landelijk leider van de Christian Assembly Church. Een forse man met een devoot gevolg dat op de achtergrond blijft. We maken kennis. Mijn gastheer legt me uit wie het is en dat hij hem onderdak geeft voor deze week; alles in het Siwu, overduidelijk om goede sier met me te maken. Ik speel het spelletje mee en doe er een schepje bovenop door de apostel in het Ewe hartelijk welkom te heten. Nadat de beleefdheden uitgewisseld zijn begeeft hij zich naar zijn kamer, die grenst aan de mijne.

‘s Avonds zit ik lekker te werken, koekjes bij de hand, Chet Baker op de achtergrond, als ik een enorme schreeuw hoor. Nauwelijks heb ik de muziek weggedraaid of ik hoor nog een schreeuw. Een vrouwenstem. Nu hoor ik ook de cadans van een paar zware mannenstemmen en dan weer een gekrijs van jewelste. Wat gebeurt hier? Ik doe de lichten uit en ga buiten op de donkere veranda staan. Oma Afua zit voor haar huis; ik vraag waarom er zo geschreeuwd wordt op ons erf. Ze heft haar armen op, schudt haar hoofd, en roept, letterlijk vertaald, dat ze ook niet weet waar het geblaf voor dient.

Een paar minuten later houdt het geschreeuw op en vliegt de deur open. In het licht dat naar buiten stroomt staat een vrouw. Ik doe net of ik gewoon buiten m’n koffie sta te drinken en groet haar. ‘Good evening,’ zegt ze terwijl ze met rechte rug langs me heenloopt. Ze heeft een betraand gezicht en zalf op haar voorhoofd. Aha, dat hoort er dus bij als je de Apostel huisvest. In de kamer naast mij wordt een strijd tussen de hemelse gewesten uitgevochten. Er worden bindingen verbroken en geesten uitgeworpen in de naam van Jezus.

De volgende gebondene gaat naar binnen. Ik denk terug aan Komla en de sinaasappelboom. In wat voor bindingen zal de Apostel specialiseren? En zou hij mij ook kunnen genezen van mijn milde ongeloof?

Geplaatst in Zomer 2008 | Getagged , , , | Één reactie

Handelsgeest

Een groot wit fort

Elmina, een klein vissersstadje aan de Ghanese kust. Vissers slepen hun boten het strand op, de markt is een mierenhoop, en voetgangers stuiven uit elkaar voor het getoeter van een bus die door de nauwe straatjes navigeert. In de bus, dicht opeengepakt, een hoop West-Afrikanen en een handjevol blanken. Na eindeloos gekronkel komt de bus uit op een klein pleintje aan de voet van een groot wit fort.

Met stijve ledematen rollen we de bus uit, om meteen bedolven te worden onder de straatverkopers. Een jongen trekt aan mijn arm en laat me een vodje zien met een paar namen en bedragen erop. ‘Hallo, wij zijn sporters, maar we hebben geen voetbalveld hier; dit is een project van een Duitse NGO; wilt u ook…’ Ik lach vriendelijk, schud nee. Hij lacht zijn mooie witte tanden bloot: ‘We can be friends!’ Daar kan ik hem geen ongelijk in geven, maar dat is niet genoeg om zijn aftroggeltruc door de vingers te zien. Ik raad hem aan iemand anders te proberen. Er is vandaag vast wel een dikke toerist met een schuldgevoel te vinden.

Over de ophaalbrug lopen we naar de poort, waarboven een trotse gouden leeuw prijkt. Dit was 250 jaren lang Nederlands grondgebied. Op het binnenplein van het fort verzamelen we voor de rondleiding. Eerst het kerkje. Van oorsprong Portugees, zegt de gids. De Hollanders, praktisch als altijd, maakten er een markthal van toen ze het fort in 1624 veroverden op de Portugezen. Binnen de muren van het fort werd verwoed gehandeld. Goedkoop buskruit, ijzer, en Westerse luxeartikelen werden hier ingeruild voor ruwe grondstoffen. Hier is de weelde van Veere en mijn geboortestad Middelburg op gebouwd, de prachtige koopvaardijpanden langs de kades, onze Gouden Eeuw. Dit is het glorieuze begin van de wereldmarkt.

Vanaf de binnenplaats lopen we door een smalle gang naar de slavenverblijven. Hier, in een paar ruimtes elk niet groter dan een woonkamer, zaten honderden slaven opeengepakt. Het enige licht komt van een raampje hoog in de muur. De kerkers komen uit op een tweede, kleinere binnenplaats waar de vrouwelijke slaven mochten luchten. Erboven is een balkon. Hier stond de gouverneur af en toe met zijn armen over elkaar de geketende vrouwen beneden te begluren. Als hij er ééntje zag die hem wel wat leek blafte hij een commando. De vrouw werd losgemaakt, kreeg eten en werd half aangekleed via een ladder naar boven gestuurd. Als de gouverneur genoeg van haar had werd ze weer naar beneden gejaagd.

We lopen een stukje verder, waar een nauw gangetje naar de laatste kelder leidt. Waarom stinkt het hier zo, vragen een paar van de Nigerianen in ons gezelschap. De gids antwoordt niet. Een mansbrede spleet in de muur biedt uitzicht op de eindeloze oceaan. Eéns in de drie maanden meerde hier een slavenschip aan. Uit deze ruimte keerde niemand terug. De gids vertelt hoe de slaven in de ruimen werden gepropt. Eenvijfde van hen overleefde de martelende zeereis niet. De rest werd voor goed geld verkocht aan plantage-eigenaren in de Nieuwe Wereld. Om me heen morren mijn West-Afrikaanse collega’s in ongeloof. Achter mij hoor ik iemand zeggen ‘They have to pay!’ Ik voel me plotseling nadrukkelijk blank.

Grafsteen in Fort Elmina

We verlaten de kerkers en verkennen de bovenverdiepingen. Grote eetzalen, een mooie Oud-Hollandse keuken, een kerkzaal met een bordje: ‘Godshuis voor eeuwig. Psalm 32’. Houten klikklak-vloeren. De ruime kamers van de gouverneur. O ja, het balkon. Via een statige trap komen we weer terug op het binnenplein. In één van de muren bevindt zich een grafsteen waarvan ik het grafschrift onwillekeurig hardop begin te lezen. De gids zegt: ‘Is dat jouw taal?’; uit de groep klinkt een roep om vertaling. Het Statenbijbel-Nederlands gaat me ongemakkelijk goed af en voor ik het weet sta ik voor een groep West-Afrikanen het grafschrift te vertalen van de “Bewinthebber Der Geoctroyeerde West-Indische Compagnie Ter Kamere Zeelandt”, overleden 12 maart 1758. De heer A. Andriese, Predikant te Veere, heeft het geheel voorzien van een stichtelijk woord. Ik knijp ‘m, en ben blij dat tenminste niet aan me te zien is dat ik letterlijk uit het hol van de leeuw stam.

Genoeg, genoeg, genoeg. Als de rondleiding ten einde is ontsnap ik aan de groep. Ik neus rond in de boekwinkel en ontdek daar een deur waardoor ik op de vestingmuren kan komen. Ik snuif de frisse zeelucht in en bedenk dat dit uitzicht eeuwenlang niet veranderd is. Onder mij zijn de massieve vestingmuren het onwrikbare bewijs van een cultureel systeem dat zulke bruutheden kan begaan. Mijn voorouders, Statenbijbel in de hand en daaldertekens in de ogen, hadden gewoon een goede neus voor de markt. Tot ze na twee eeuwen goed geld verdienen tot het verlichte inzicht kwamen dat zwarten ook mensen zijn. Het fort werd in 1871 voor een habbekrats verkocht aan de Britten, en de verschrikkelijke slavenhandel is verbannen naar een alineaatje in ons geschiedenisboek.

En wat deden de Hollanders vervolgens? Wat een goed handelaar betaamt, natuurlijk: de aandacht verleggen naar handelswaar die minder hoog op de morele agenda staat. Het is Paul Cliteur geloof ik die opgemerkt heeft dat de Nederlandse bioindustrie de grote morele blinde vlek van onze tijd is. Maar dat is een stem in de woestijn. De stem van het volk wordt ondertussen uitmuntend vertegenwoordigd door onze eigen minister-president, met zijn trots op de VOC. Bioindustrie? Dat zijn gewoon de wetten van vraag en aanbod, zeggen we, en we halen onze schouders op. Saillant detail is dat onze overschotten aan kippen-restvlees tegenwoordig op de Ghanese markt gedumpt worden. Hoezee, het kringetje is weer rond. De wereldmarkt blijft trouw zijn werk doen, en —je maintiendrai— Holland vaart er wel bij.

Geplaatst in Zomer 2008 | Getagged , , , | Één reactie